In deze zaak staat centraal of betrokkene belanghebbende is bij het besluit van het UWV van 31 december 2021 tot voortzetting van de WIA-uitkering aan een werknemer. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het UWV stelde in hoger beroep dat betrokkene geen belanghebbende is en het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarbij zij zelf in de zaak was voorzien door de toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer. Het UWV was het hier niet mee eens en stelde dat betrokkene geen belanghebbende was omdat het dienstverband was beëindigd en de WIA-uitkering niet aan betrokkene kon worden toegerekend.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het standpunt van het UWV en oordeelt dat betrokkene geen rechtsgevolgen ondervindt van het besluit en dus geen belanghebbende is. Hierdoor had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene gegrond, maar het bezwaar niet-ontvankelijk. De proceskostenveroordeling blijft in stand, maar er wordt geen griffierecht geheven voor het hoger beroep.