ECLI:NL:CRVB:2026:154

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
23/1099 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WIA-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV over haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure werd een onafhankelijke deskundige benoemd die een rapport uitbracht. Naar aanleiding daarvan nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij het geheel aan appellante tegemoetkwam door de uitkering ongewijzigd door te laten lopen en een IVA-uitkering toe te kennen.

Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot een verweerschrift. De Raad besloot de zaak zonder zitting af te doen.

Op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, begroot op in totaal €5.137,-, en het betaalde griffierecht van €185,-. De uitspraak werd gedaan door S. Wijna namens de Centrale Raad van Beroep op 19 februari 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

23/1099 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/1099 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2023, 21/2930 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 februari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Steenwijk.
De Raad heeft het onderzoek heropend en aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen die op 28 november 2024 rapport heeft uitgebracht. Bij brief van 3 februari 2025 heeft appellante op dit rapport gereageerd.
Op 12 maart 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 maart 2025 alsnog heeft bepaald dat de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van appellante per 28 december 2020 ongewijzigd doorloopt en dat aan appellante met ingang van 31 januari 2025 een IVA-uitkering wordt toegekend. Aldus is het Uwv geheel aan appellante tegemoetgekomen. Het Uwv wordt daarom veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 maart 2025 heeft het Uwv al beslist dat de kosten in bezwaar aan appellante worden vergoed.
De proceskosten in beroep worden begroot op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het rapport van 30 december 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, met een waarde per punt van € 934,-). De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een reactie op de rapportage van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 5.137,-.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.137,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck