ECLI:NL:CRVB:2026:153

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/695 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling en rentevergoeding na intrekking hoger beroep Wajong-uitkering

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg over een Wajong-uitkering en verzocht tevens om vergoeding van schade en proceskosten. Het UWV nam een gewijzigde beslissing op bezwaar en bracht appellant met ingang van 4 oktober 2021 alsnog in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Hierop trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De Raad stelde vast dat het UWV zich niet verzette tegen de proceskostenveroordeling en schadevergoeding. Omdat partijen geen zitting wensten, werd de zaak zonder zitting afgedaan. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de Awb veroordeeld moet worden tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, begroot op € 934,-, en tot betaling van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht van € 138,-. De uitspraak verwijst naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2012 voor de wijze van renteberekening. Hiermee is het verzoek van appellant volledig toegewezen.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, wettelijke rente en griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/695 WAJONG
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 februari 2024, 22/390 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.A. Mertens hoger beroep ingesteld. Appellant heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 28 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellant met ingang van 4 oktober 2021 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten en/of een schadevergoeding.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv aan hem is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft hem met ingang van 4 oktober 2021 namelijk alsnog in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wajong.
Van in bezwaar gemaakte kosten is niet gebleken en de rechtbank heeft het Uwv in de aangevallen uitspraak al veroordeeld voor de in beroep gemaakte kosten, zodat de Raad moet oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 934,-.
Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [1]
Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 934,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.