ECLI:NL:CRVB:2026:147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
21/3779 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:51d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en herstel medische grondslag WIA-besluit

Appellant, laatstelijk werkzaam als Senior Adviseur Luchtkwaliteit, is sinds juni 2017 ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde in april 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 71,36%, later bij bezwaar verlaagd naar 68,92%. Appellant betwist deze mate en stelt dat hij meer beperkingen heeft, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was voor een verdere urenbeperking. Appellant ging in hoger beroep en verzocht om een deskundige. De Raad benoemde een verzekeringsarts die aanvullende beperkingen constateerde, maar niet tot volledige arbeidsongeschiktheid kwam.

De deskundige rapporteerde uitgebreid en motiveerde zijn bevindingen, waarbij hij rekening hield met diverse aandoeningen zoals PTSS, ME/CVS, migraine en OSAS. De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, waardoor het UWV wordt opgedragen het gebrek te herstellen en de gevolgen daarvan te beoordelen.

De Raad besloot geen nieuwe zitting te houden en gaf nog geen oordeel over proceskosten of schadevergoeding wegens termijnoverschrijding. De zaak wordt hiermee niet definitief afgesloten, maar het UWV krijgt de gelegenheid het besluit te herzien op basis van de nieuwe medische inzichten.

Uitkomst: De Raad draagt het UWV op het gebrek in de medische grondslag van het WIA-besluit te herstellen en de gevolgen daarvan te beoordelen.

Uitspraak

21/3779 WIA-T
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
21/3779 WIA
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2021, 20/174 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 6 juni 2019 heeft vastgesteld op 68,92%. Volgens appellant heeft hij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad heeft een deskundige benoemd die aanleiding heeft gezien voor het aannemen van aanvullende beperkingen. De Raad volgt de deskundige en draagt het Uwv op om het gebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit te herstellen en te bezien wat dit voor gevolgen heeft voor het bestreden besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
De Raad heeft drs. F.M. Brouwer, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 1 maart 2024 een rapport uitgebracht. Partijen hebben een zienswijze op het rapport van de deskundige ingebracht.
In een rapport van 6 november 2024 heeft de deskundige gereageerd op de zienswijzen van partijen. Het Uwv heeft gereageerd op het rapport van 6 november 2024 met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarop heeft de deskundige naar aanleiding van een vraag van de Raad nog nader gereageerd op 24 juni 2025. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
Appellant heeft niet meer gereageerd en heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als Senior Adviseur Luchtkwaliteit voor gemiddeld 31,95 uur per week. Op 8 juni 2017 heeft appellant zich ziekgemeld met psychische klachten, slaap- en vermoeidheidsklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 28 maart 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2019. Daarbij is onder meer een urenbeperking aangenomen van ongeveer zes uur per dag en gedurende dertig uur per week. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 26 april 2019 heeft het Uwv appellant met ingang van 6 juni 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 71,36% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 april 2019. In het kader daarvan heeft appellant de hoorzitting bijgewoond waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was. Op basis van de door appellant overgelegde nadere medische gegevens in de bezwaarprocedure, het dossieronderzoek en de waarnemingen op de hoorzitting heeft deze arts vastgesteld dat de FML dient te worden aangepast alsook dat er beperkingen komen te vervallen. Gelet op de psychische problematiek wordt de FML aangescherpt met beperkingen voor prikkelrijke ruimte, veelvuldige storingen en onderbrekingen, hoog handelingstempo bij complexe taken en intensieve contacten met klanten. Voorts zijn beperkingen aangewezen vanwege de astma en allergie voor huisstofmijt en ten aanzien van verkeerswegen en een verstoorde dynamiek van linker middelvinger. De beperking voor het eigen gevoelens uiten wordt verwijderd omdat er geen sprake is van niet adequate uitingen van emoties. Ook de beperking op het verhoogd persoonlijk risico met de toelichting: niet beroepsmatig autorijden wordt eveneens verwijderd omdat er geen medische contra-indicatie is voor beroepsmatig autorijden. De beperkingen zijn neergelegd in een gewijzigde FML van 29 oktober 2019. Op basis van de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder geselecteerde functies laten vallen en na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), vier nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 68,92%. Bij besluit van 4 december 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 juni 2019 vastgesteld op 68,92%.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten zorgvuldig, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden heeft toegelicht waarom er geen aanleiding is om, ondanks de beperkingen van appellant, een verdergaande urenbeperking aan te nemen dan zes uur per dag en dertig uur per week. Omdat appellant een gemiddelde slaapbehoefte heeft van acht uur per nacht is met het aannemen van een urenbeperking van zes uur per dag voldoende rekening gehouden met de recuperatiebehoefte van appellant. Bij appellant is geen sprake van ‘een stoornis in de energiehuishouding’ en ‘een energiehuishouding die sterk uit balans is’ die zou moeten leiden tot een verdergaande urenbeperking. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep maar ook uit de medische informatie die appellant heeft overgelegd, volgt dat juist de psychische aandoening zorgt voor de vermoeidheidsklachten en recuperatiebehoefte waarvoor uitgebreide beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dan ook geen aanleiding gezien om een aanvullende urenbeperking aan te nemen. De beperkingen brengen met zich dat appellant aangewezen is op werk dat geestelijk niet zwaar voor hem is. Uit de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat deze voorwaarden aan het werk en de werkplek ervoor zorgen dat de recuperatiebehoefte die bestaat bij niet-passend werk zich niet (meer) voordoet waardoor een aanvullende beperking niet nodig is. De combinatie van de beperkingen maakt dat het werk mentaal passend is. Omdat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank het verzoek om een deskundige afgewezen.
Standpunt van appellant
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat vaststaat dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML in beroep heeft aangepast. Dat betekent dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en het Uwv in de proceskosten en kosten van de deskundige had moeten veroordelen. Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat er reden is voor een verdergaande urenbeperking. In alle rapportages van de behandelaars, waarvoor appellant onder meer heeft verwezen naar de rapporten van 19 november 2019 en 17 februari 2020 van Altrecht en het rapport van 16 juli 2020 van psychiater H.S.R. Witte, staat dat bij appellant sprake is van een klachtencomplex van trauma, slaapapneu en migraine die de bij appellant bestaande vermoeidheidsklachten en recuperatiebehoefte verklaren. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de behandelend psychiater Witte zijn standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant niet heeft gebaseerd op de standaard “Duurbelastbaarheid in Arbeid” omdat deze standaard alleen verzekeringsartsen bindt en niet medisch specialisten. Er is alle reden om te twijfelen aan de juistheid van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt. Hij kan enkel vrijwilligerswerk doen. Appellant heeft verzocht om een benoeming van een deskundige.
Standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Benoeming deskundige
4.1.
Omdat bij de Raad twijfel is ontstaan over de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, heeft de Raad verzekeringsarts Brouwer als deskundige benoemd. De deskundige heeft in zijn rapport van 1 maart 2024 geconcludeerd dat er op de datum in geding bij appellant sprake was van Chronische/Complexe PTSS, mogelijk een vorm van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS), Chronisch Vermoeidheidssyndroom/ME, fibromyalgie, migraine, allergie voor huisstofmijt, beperking in het gebruik van zijn middelvinger links en Organisch Slaap Apneu Syndroom (OSAS) (milde tot matige ernst). Volgens de deskundige is appellant niet volledig arbeidsongeschikt omdat hij niet voldoet aan de criteria voor een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’. De deskundige heeft vervolgens overwogen dat bij appellant geen sprake is van een ernstige depressie, psychose en neuro-cognitieve stoornissen. Beperkingen in de rubrieken 1.1 tot en met 1.8 zijn niet aan de orde. Gelet op de psychische aandoeningen heeft de deskundige appellant aangewezen geacht op een voorspelbare werksituatie (1.9.5), werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen (1.9.6), werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken (1.9.7), beperken voor een omgeving zonder intensieve auditieve en visuele prikkels (1.9.10), emotionele problemen van andere hanteren (2.6), eigen gevoelens uiten (2.7), omgaan met conflicten (2.8), sterker beperken op het samenwerken met anderen (2.9), werk zonder al te veel contact met klanten ( 2.12.1), of patiënten en/of hulpbehoevenden (2.12.2) en leidinggevende aspecten (2.12.5). Ook is appellant beperkt voor huisstofmijt (3.9) en beperkt in het gebruik van zijn middelvinger links (4.3: hand en vingergebruik). Op basis van de gezamenlijke aandoeningen, ME/CVS, migraine en OSAS is een urenbeperking aangewezen van maximaal zes uur per dag gedurende dertig uur per week. Anders dan het Uwv heeft de deskundige appellant niet beperkt geacht op werk zonder hoog handelingstempo (1.9.8).
4.2.
In zijn zienswijze en in een uitgebreide persoonlijke brief waarbij diverse medische stukken zijn gevoegd, heeft appellant aangevoerd dat de deskundige met de beperkingen onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellant. Hoewel de deskundige uitgaat van chronische en complexe PTSS, heeft hij verzuimd te vermelden dat deze gepaard gaat met dissociatieve symptomen. Ook is de deskundige voorbijgegaan aan de adviezen van de Gezondheidsraad dat ME/CVS en fibromyalgie belangrijke gezondheidsproblemen geven en dienen te worden erkend en dat deze ook tot ernstige beperkingen leiden. Ook met de migraine en OSAS is onvoldoende rekening gehouden. De deskundige heeft dit wel benoemd maar niet vermeld tot welke beperking dit leidt. Alle klachten van appellant werken op elkaar in. Vaststaat ook dat appellant in zijn laatste jaren voor zijn uitval niet in staat was om dertig uur per week te werken. De deskundige is uitgegaan van tijdschrijflijsten van appellant waarin hij aangaf vanaf 11.45 uur te functioneren. Dit functioneren was slechts heel minimaal. De deskundige had voorts informatie bij psychiater Witte moeten inwinnen om meer zicht te krijgen op de ernst van de psychische klachten. Omdat de deskundige dit niet heeft gedaan, heeft appellant geen vertrouwen in deze deskundige. Appellant heeft verzocht om een nieuw gecombineerd deskundigenonderzoek te laten uitvoeren door een verzekeringsarts en psychiater.
4.3.
Het Uwv heeft in zijn zienswijze verwezen naar het rapport van 19 april 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien de deskundige te volgen in diens conclusies om de FML te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daartoe toegelicht de beperking op de items 1.9.8 en 6.1 niet te laten vervallen. Voor beperkingen op items 2.9 “samenwerken” en 2.7 “eigen gevoelens uiten” ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aandoeningen geen aanleiding.
4.4.
Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de deskundige in een rapport van 6 november 2024 gemotiveerd toegelicht waarom de beperking op item 1.9.8 dient te vervallen en er een extra beperking moet worden aangenomen bij beoordelingspunt 2.9. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de deskundige het eens dat een beperking moet worden vastgesteld op item 6.1. Verder heeft de deskundige aanleiding gezien om appellant op basis van de beschadigde tussenwervelschijf aanvullend beperkt te achten voor item 4.16 “frequent zware lasten hanteren tijdens het werk”.
4.5.
Met het rapport van 24 juni 2025 heeft de deskundige nader uiteengezet waarom een beperking op item 2.7 “eigen gevoelens uiten” wordt gehandhaafd. Daartoe heeft de deskundige erop gewezen dat de verzekeringsarts heeft vermeld dat bij appellant sprake is van prikkelgevoeligheid bij migraine, met emotieregulatie- en interpersoonlijke relatieproblemen (mogelijk passend bij ASS). Omdat ASS niet kon worden vastgesteld, noch verworpen, heeft de deskundige, ook gezien de chronische PTSS, aanleiding gezien deze beperking te handhaven met keuze: “2: beperkt, brengt anderen in verwarring door onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelens uitingen”.
4.6.
In een rapport van 1 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht geen aanleiding te zien om de door de deskundige geadviseerde beperking bij item 2.7 over te nemen. Ten onrechte wordt de beperking bij het item 2.7 door de deskundige gehandhaafd enkel en alleen op basis van een vermoedelijke diagnose ASS in deze casus. Uit de CBBS-handleiding Basisinformatie CBBS blijkt namelijk dat “dit beoordelingspunt is bedoeld om de beperkingen te beoordelen die leiden tot gevoelsuitingen die door anderen als overdreven of vreemd worden ervaren of derden in verwarring brengt”. Dat daarvan bij appellant sprake is blijkt niet uit de anamnestische gegevens, de bevindingen van verzekeringsartsen in bezwaar en primair, de bevindingen van de behandelaars noch uit de bevindingen van de deskundige.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten waarbij de aan appellant per 6 juni 2019 toegekende WIA-uitkering is berekend op een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,92%.
5.2.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige van 1 maart 2024, aangevuld op 6 november 2024 en 24 juni 2025, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft appellant thuis bezocht en aldaar spreekuur gehouden. De deskundige heeft een uitgebreide anamnese afgenomen waarbij de klachten van appellant zijn uitgevraagd. Verder heeft de deskundige alle beschikbare medische informatie bestudeerd en betrokken bij de beoordeling, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts van het Uwv, de medische informatie uit de behandelend sector aangeleverd door appellant op USB-sticks en de informatie van psychiater Witte. Op basis van zijn onderzoeksbevindingen is de deskundige tot de conclusie gekomen dat bij appellant op 6 juni 2019 sprake is van (Chronische/Complexe) PTSS, mogelijk een vorm van een ASS, CVS/ME, fibromyalgie, migraine, allergie voor huisstofmijt, beperkt in het gebruik van zijn middelvinger links en OSAS (milde tot matige ernst). De deskundige heeft deugdelijk gemotiveerd dat appellant op 6 juni 2019 niet voldoet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat het Uwv terecht een FML heeft opgesteld. De deskundige heeft voorts vastgesteld dat bij appellant geen sprake is van een klinisch merkbare “Grande Psychiatrie” waardoor beperkingen op de items 1.1 tot en met 1.8 van de rubriek persoonlijk functioneren niet aan de orde zijn. De deskundige heeft in zijn rapporten van 1 maart 2024, 6 november 2024 en 24 juni 2025 appellant ten opzichte van de FML van 21 december 2020 aanvullend beperkt geacht voor items 2.7 “eigen gevoelens uiten”, 2.9 “samenwerken”, 4.16 “frequent zware lasten hanteren tijdens het werk” vanwege een beschadigde tussenwervelschijf. De deskundige heeft in de bij appellant bestaande aandoeningen geen aanleiding gezien voor een beperking op 1.9.8 “werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is” en heeft deze laten vervallen. Op de door appellant ingebrachte zienswijze is de deskundige in zijn rapport van 6 november 2024 ingegaan. Hierin heeft de deskundige uiteengezet dat en waarom er geen aanleiding is tot het aannemen van verdergaande beperkingen, noch tot een sterkere urenbeperking. In het rapport van 24 juni 2025 heeft de deskundige voldoende toegelicht dat een beperking op item 2.7 is aangewezen.
5.4.
Wat betreft de medische situatie van appellant op de datum in geding worden de conclusies van deskundige Brouwer gevolgd. Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van de door de deskundige aangenomen beperkingen, is er geen aanleiding om een nieuwe deskundige (verzekeringsarts) te benoemen, zoals door appellant is verzocht. Uit 5.3 volgt dat de FML van 21 december 2020, zoals deze in beroep is bijgesteld, niet juist is. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de medische grondslag niet deugdelijk is gemotiveerd.
5.5.
Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dit betekent dat het Uwv de FML dient aan te passen met inachtneming van wat is overwogen in deze uitspraak. In ieder geval dienen de door deskundige Brouwer aangenomen (aanvullende) beperkingen daarin te worden opgenomen. Vervolgens zal het Uwv op basis van de aangepaste FML een nieuwe arbeidskundige beoordeling moeten uitvoeren. Het Uwv zal hierna moeten beoordelen of het bestreden besluit, met een nadere motivering, kan worden gehandhaafd of een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen.
5.6.
Omdat de overwegingen in 5.3 tot en met 5.5 ertoe leiden dat het Uwv eerst in de gelegenheid wordt gesteld het gebrek in de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te herstellen, is met deze uitspraak nog geen einde aan het geding gekomen. In zoverre zal in deze tussenuitspraak nog geen oordeel gegeven worden over de proceskostenvergoeding en het vergoeden van het griffierecht alsook over het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van G.T.Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) G.T. Hunsel