ECLI:NL:CRVB:2025:957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs duurzaam geen arbeidsvermogen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van vermeende duurzame arbeidsongeschiktheid vanaf zijn achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant op die datum en de daaropvolgende jaren duurzaam geen arbeidsvermogen had.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant maakte onvoldoende aannemelijk dat hij op zijn achttiende verjaardag en in de daaropvolgende jaren volledig arbeidsongeschikt was. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant onvoldoende medische informatie over die periode heeft aangeleverd, mede omdat het een laattijdige aanvraag betrof.
De medische stukken die appellant in hoger beroep overlegt, betreffen diagnoses uit een latere periode en zeggen niets over zijn beperkingen rond zijn achttiende. Het ontbreken van persoonlijk contact met de verzekeringsarts wordt niet als onzorgvuldig beoordeeld, mede gezien de detentie van appellant. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzame arbeidsongeschiktheid.