ECLI:NL:CRVB:2025:941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat zij zich ziek had gemeld en onderzocht was door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast die zijn verwerkt in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna het UWV concludeerde dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en de geschiktheid van de geduide functies passend waren vastgesteld. De rechtbank nam daarbij ook de milde vorm van ADHD mee en vond geen aanleiding om de beoordeling van het UWV te betwijfelen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door ADHD, waren onderschat en dat zij de geduide functies niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkende wel beperkingen door ADHD, maar motiveerde dat deze voldoende waren verwerkt in de FML. De Raad vond dat de psycholoog niet specifiek deskundig was op het gebied van de FML-systematiek en dat de beperkingen niet zodanig waren dat de functies ongeschikt zouden zijn.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor appellante geen WIA-uitkering ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.