ECLI:NL:CRVB:2025:931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid bevestigd
Appellant, voormalig projectleider, ontving sinds 2017 een Ziektewetuitkering vanwege rugklachten. Na een weigering van een WIA-uitkering in 2019 wegens geschiktheid voor zijn laatste werk, meldde hij zich in 2021 opnieuw ziek en kreeg een ZW-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 7 december 2021 na een medisch onderzoek waarbij appellant geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid.
De rechtbank Gelderland vernietigde het bezwaarbesluit van het UWV omdat appellant niet zowel lichamelijk als psychisch was onderzocht. Na een nieuw onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde het UWV het besluit tot beëindiging van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische conclusies overtuigend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn klachten, waaronder een SI-syndroom met fluctuaties en slaapproblemen, onvoldoende werden meegewogen. De Raad oordeelde echter dat het UWV de medische situatie op de datum van beëindiging juist had vastgesteld en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2019 nog van toepassing waren.
De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid en daarom geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de beëindiging van de uitkering gehandhaafd. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.