ECLI:NL:CRVB:2025:889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem per 28 november 2019 geen WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een eerste afwijzing door het UWV en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank Rotterdam, stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant aspecifieke lage rugklachten heeft, passend bij zijn leeftijd, zonder aanvullende beperkingen die zwaarder wegen dan eerder vastgesteld. Ook psychische klachten werden niet als beperkend voor de datum in geding aangemerkt. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.
De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en consistent was en dat er geen aanleiding was om het oordeel van de deskundige te verwerpen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.