Appellant ontving lange tijd bijstand op grond van de Participatiewet. Na een brand in zijn woning en verblijf bij zijn ouders, diende hij een nieuwe aanvraag in voor bijstand met als woonadres zijn voormalige uitkeringsadres. Het college weigerde de aanvraag omdat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn woonsituatie en niet aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.
De Raad stelde vast dat vrijwel alle pinbetalingen van appellant elders plaatsvonden en dat het onwaarschijnlijk was dat hij dagelijks op en neer reisde tussen het opgegeven adres en de plaats waar zijn sociale leven zich afspeelde, mede gelet op zijn beperkte leefgeld. Ook het feit dat appellant stond ingeschreven op het adres en een energierekening overlegde, was onvoldoende om het hoofdverblijf aan te nemen.
De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat appellant de bewijslast niet heeft voldaan. Hierdoor blijft de afwijzing van de bijstandsaanvraag in stand en krijgt appellant geen vergoeding van proceskosten.