Appellant heeft een schuld aan de Sociale verzekeringsbank (Svb) wegens onverschuldigd ontvangen AIO-aanvulling over de periode juli 2011 tot en met februari 2016. Na herziening is vastgesteld dat appellant € 6.203,65 moet terugbetalen, waarvan in december 2020 nog € 2.436,65 openstond. De aflossingscapaciteit werd herberekend en vastgesteld op € 92,67 per maand, welk bedrag maandelijks wordt verrekend met het AOW-pensioen.
De Svb paste een gewenningsregeling toe om de verrekening stapsgewijs te verhogen tot het volledige bedrag, met terugbetaling van te veel verrekende bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen concrete gronden werden aangevoerd om de berekening onjuist te achten en de coulanceregeling werd erkend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de regeling tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, mede door de economische situatie en inflatie. De Raad oordeelt dat geen feiten of omstandigheden aanwezig zijn die een kennelijk onredelijk resultaat rechtvaardigen, zoals betalingsachterstanden bij energielevering of huur. De maandelijkse verrekening blijft daarom ongewijzigd in stand.
Het hoger beroep wordt verworpen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank Rotterdam.