ECLI:NL:CRVB:2025:695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig accountmanager, werd per 8 september 2020 geen WIA-uitkering toegekend door het UWV omdat hij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant stelde dat zijn beperkingen, waaronder PTSS en postcommotioneel syndroom, onvoldoende waren meegenomen en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de diagnoses PTSS en postcommotioneel syndroom tot andere beperkingen zouden moeten leiden.
De Raad stelde vast dat appellant op 12 augustus 2024 alsnog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was onderzocht en dat de aanvullende rapporten de eerdere beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 16 september 2020 bevestigden. De Raad oordeelde dat de aard van de klachten en beperkingen consistent waren en dat een andere diagnose de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet wijzigde.
Ook het arbeidskundig rapport van 28 september 2020 werd als voldoende gemotiveerd en passend beoordeeld. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het bestreden besluit. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.