ECLI:NL:CRVB:2025:641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij Wlz-zorgindicatie
Appellant vroeg op 14 maart 2022 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag op 14 april 2022 af, omdat er geen blijvende behoefte aan 24-uurszorg was vastgesteld. Appellant deed een nieuwe aanvraag op 28 april 2023, die op 7 augustus 2023 werd toegewezen, waarna hij geïndiceerd werd voor Wlz-zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de oorspronkelijke afwijzing niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellant inmiddels zorg ontvangt. Appellant betwistte dit oordeel en stelde dat de rechtbank een te strenge toets hanteerde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het belang van appellant beperkt is tot een mogelijke schadevergoeding over de periode tussen de eerste aanvraag en de latere toewijzing, maar dat hiervoor geen aanwijzingen zijn. Daarom bevestigt de Raad de niet-ontvankelijkverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; het bestreden besluit blijft in stand.