ECLI:NL:CRVB:2025:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toegenomen beperkingen
Appellant, voormalig containermonteur, vroeg herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid omdat hij meende dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat zijn eerdere beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn licht verstandelijke beperking en analfabetisme.
Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht per einde wachttijd in 2013 en er geen medische onderbouwing was voor toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar daarna. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de toegenomen klachten van appellant voortkomen uit andere aandoeningen dan de nekhernia die in 2013 tot beperkingen leidde. Appellant stelde in hoger beroep dat sprake was van een ernstig progressief ziektebeeld en duurzame arbeidsongeschiktheid, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV, benadrukkend dat de medische rapporten geen aanwijzingen geven voor meer beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 2013. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.