ECLI:NL:CRVB:2025:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens ongewijzigde arbeidsongeschiktheid na WIA-beoordeling
Appellante, werkzaam als medewerker bediening, meldde zich ziek en kreeg na een WIA-beoordeling geen WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zij kreeg een Werkloosheidswet-uitkering, maar na een nieuwe ziekmelding in 2023 weigerde het UWV een Ziektewet-uitkering toe te kennen, omdat zij geschikt werd geacht voor eerder geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan en dat de beperkingen van appellante niet waren toegenomen. Appellante voerde aan dat haar klachten waren onderschat en overhandigde medische stukken ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het recht op ZW-uitkering afhangt van ongeschiktheid voor het laatst verrichte werk, tenzij een eerdere WIA-beoordeling is gedaan. In dat geval geldt dat de medische beperkingen sinds die beoordeling moeten zijn toegenomen om recht op ZW-uitkering te hebben.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat de medische beperkingen van appellante per 9 juni 2023 niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling van november 2022. Dit oordeel was gebaseerd op meerdere rapporten van artsen bezwaar en beroep, die ook de psychische en lichamelijke klachten beoordeelden. Hierdoor bleef de weigering van de ZW-uitkering terecht in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd omdat de medische beperkingen van appellante niet zijn toegenomen sinds de WIA-beoordeling.