Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar een WIA-uitkering toe te kennen per 31 december 2022, omdat zij volgens het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het Uwv heeft vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet passend zijn.
De rechtbank Limburg heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 december 2022 een juiste weergave is van de beperkingen van appellante. De subjectief ervaren klachten van appellante konden niet leiden tot een ander oordeel. Ook de arbeidskundige beoordeling en de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid werden als juist beschouwd.
Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe feiten of gronden aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van het oordeel van de rechtbank. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige en om schadevergoeding wordt afgewezen. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.