Uitspraak
30 september 2024, 22/998
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht van €138,- niet is betaald, ondanks herhaalde aanmaningen en termijnen die zijn verstreken. Daarnaast bevatte het beroepschrift geen gronden, terwijl appellant meerdere malen in de gelegenheid is gesteld deze alsnog in te dienen, zonder gevolg.
Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het griffierecht verplicht voor hoger beroep. Het niet voldoen hiervan leidt tot niet-ontvankelijkheid. Ook het ontbreken van beroepsgronden, zoals vereist in artikel 6:5 en Pro 6:24 Awb, versterkt deze conclusie.
De Raad heeft daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 19 maart 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en ontbreken van beroepsgronden.