Uitspraak
PROCESVERLOOP
.De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Revet, mr. W.A.N. Bot en A.J.G. Simonse.
OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam bij de politie, raakte tijdens een Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT) in mei 2019 geblesseerd nadat zij viel bij een oefening waarbij zij als verdachte werd aangehouden. De korpschef had het ongeval als dienstongeval aangemerkt, maar geweigerd het als beroepsincident te kwalificeren. Appellante maakte bezwaar tegen deze weigering, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat bij een oefensituatie in beginsel geen sprake is van een gevaarzettende situatie zoals bedoeld in het Barp.
Appellante voerde aan dat er onvoldoende veiligheidswaarborgen waren, onvoldoende toezicht en dat zij niet vrij was om de oefening te beëindigen. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en oordeelt dat het ongeval niet als beroepsincident kan worden aangemerkt omdat het plaatsvond tijdens een oefening zonder gevaarzettende situatie en het letsel het gevolg was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
De Raad benadrukt dat een beroepsincident een dienstongeval of beroepsziekte moet zijn voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening en waaraan de ambtenaar zich niet kan onttrekken. De Raad bevestigt de eerdere overwegingen van de rechtbank en concludeert dat het hoger beroep niet slaagt. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dienstongeval wordt niet als beroepsincident aangemerkt.