Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte als schoonmaker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 27 maart 2021 omdat hij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen met geschikte functies. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar zowel het UWV als de rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was, dat zijn beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld en dat de arbeidskundige beoordeling onjuist was. Hij stelde ook dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn psychische en cognitieve problematiek en vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing had gegeven. De beperkingen waren adequaat in een Functionele Mogelijkhedenlijst opgenomen, en de geselecteerde functies waren medisch geschikt. De Raad vond geen aanleiding om de eerdere beoordeling te herzien of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 27 maart 2021 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.