ECLI:NL:CRVB:2025:428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als callcentermedewerker en meldde zich in juni 2020 ziek. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de WIA-uitkering per 6 september 2023 werd beëindigd.
Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar medische beperkingen, waaronder fibromyalgie en carpaal tunnelsyndroom, onvoldoende waren meegewogen. Zij stelde dat zij niet acht uur per dag kon werken en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar verminderde recuperatie.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische en arbeidskundige onderzoeken voldoende waren onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en concludeerde dat de FML van april 2023 juist was opgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.