ECLI:NL:CRVB:2025:371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die later werd herbeoordeeld door het UWV. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en beëindigde de uitkering per 18 januari 2023. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft, onder meer door chronische aandoeningen en vermoeidheid na een gastric bypass operatie, en dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen en urenbeperking juist waren vastgesteld. Appellante bracht een aanvullend rapport in hoger beroep in, waarin extra beperkingen werden gesignaleerd, met name in hand- en vingergebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde echter overtuigend dat deze extra beperkingen niet medisch geobjectiveerd zijn en dat de algehele conditie van appellante is verbeterd.
De Raad concludeert dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De geselecteerde functies zijn passend en er is geen medische grond voor een verdere urenbeperking. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding en proceskosten wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.