ECLI:NL:CRVB:2025:370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant diende in 2013 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die in 2014 werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de inkomenseis. In 2021 volgde een nieuwe aanvraag, waarop het UWV opnieuw weigerde toe te kennen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling uit 2014 adequaat was en dat de klachten en beperkingen van appellant reeds waren betrokken in de eerdere besluitvorming. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel nieuwe feiten waren, zoals een rapport uit 2015 en een mogelijk aanwezige ADHD, en stelde dat het besluit evident onredelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de nieuwe stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten die een herziening rechtvaardigen. De medische rapporten bevestigden een lichte verstandelijke beperking, maar geen toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na appellant's achttiende verjaardag. Ook de stelling dat het besluit in strijd is met internationale verdragen werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.