ECLI:NL:CRVB:2025:323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante, werkzaam als tandartsassistente, meldde zich in 2017 ziek met depressieve klachten en later lichamelijke klachten. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2020 meldde zij zich opnieuw met toegenomen klachten na een maagverkleining. Het UWV weigerde opnieuw een uitkering toe te kennen omdat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling juist was. Appellante stelde dat haar psychische en buikklachten waren toegenomen en dat de maagverkleining voortkwam uit haar psychische problematiek, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. De medische beoordeling was zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De buikklachten zijn het gevolg van een andere ziekteoorzaak dan de psychische klachten uit 2019. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen wegens ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.