ECLI:NL:CRVB:2025:306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling eigen bijdrage Wlz ondanks financiële omstandigheden erfgenamen
Deze zaak betreft het hoger beroep van de erfgenamen van betrokkene tegen het besluit van het CAK over de vaststelling van de hoge eigen bijdrage voor zorg en verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Betrokkene ontving zorg en verblijf en werd geconfronteerd met een hoge eigen bijdrage die door het CAK was vastgesteld op respectievelijk € 1.784,86 en € 1.766,72 per maand.
De erfgenamen maakten bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat er geen rekening was gehouden met bepaalde kostenposten, waaronder financiële verplichtingen voortvloeiend uit notarieel vastgelegde schenkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de wet- en regelgeving dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijkingen op grond van bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt dat de regels omtrent de berekening van de eigen bijdrage limitatief en dwingendrechtelijk zijn en dat er geen hardheidsclausule bestaat. Hoewel bijzondere omstandigheden tot uitzondering kunnen leiden indien het besluit onredelijk bezwarend is, is dat in deze zaak niet het geval. De financiële situatie van betrokkene, inclusief de schenkingen, vloeit voort uit persoonlijke keuzes en vormt geen grond voor afwijking.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het bestreden besluit en laat de hoogte van de eigen bijdrage ongewijzigd. Tevens krijgen de appellanten geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vastgestelde eigen bijdrage en wijst het hoger beroep af.