Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem per 7 november 2018 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant stelt dat hij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en beoordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst van 22 maart 2022, is zorgvuldig en objectief. Hoewel appellant psychische klachten heeft aangevoerd, zijn deze pas na de datum in geding vastgesteld en onvoldoende onderbouwd met medische stukken.
De arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn. De rechtbank Rotterdam had het beroep van appellant al ongegrond verklaard en de Raad volgt dit oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.