ECLI:NL:CRVB:2025:21
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2019 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van haar ex-werkgever concludeerde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 5 juni 2022. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat haar medische beperkingen onvoldoende waren erkend.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld. De rechtbank wees het beroep af. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling tekortschiet vanwege haar langdurige klachten en nieuwe medische rapporten.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de aanvullende medische stukken geen nieuwe feiten bevatten die tot een ander oordeel leiden. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende en zag geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen. De geselecteerde functies zijn passend en de uitkeringbeëindiging terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.