ECLI:NL:CRVB:2025:209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bijzondere bijstand voor reiskosten na eerdere uitspraak
Appellant vroeg bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met een omgangsregeling met zijn kinderen. Het college wees de aanvraag af voor de periode vanaf 12 september 2019, maar verleende bijzondere bijstand over de periode 1 tot 12 september 2019 na een eerdere uitspraak van de Raad die het besluit voor die periode vernietigde.
Appellant stelde dat het college ook bijzondere bijstand moest verlenen voor de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 en vanaf 12 september 2019. De Raad oordeelde echter dat de draagkracht over de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 niet opnieuw aan de orde kon komen en dat de vernietiging van het besluit beperkt was tot 1 tot 12 september 2019.
Het college had het uitvoeringsbesluit correct beperkt tot deze periode en appellant kreeg geen gelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De Raad bevestigde hiermee dat het college de eerdere uitspraak juist heeft uitgevoerd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het college heeft de bijzondere bijstand correct toegekend voor de periode 1 tot 12 september 2019.