Appellante, rolstoelafhankelijk en woonachtig met haar eveneens rolstoelafhankelijke broer, verzocht het college om een vergoeding voor een nieuwe rolstoelbus. Het college wees dit af en verstrekte in plaats daarvan een maatwerkvoorziening in de vorm van individueel collectief vervoer met de regiotaxi, omdat dit de goedkoopst adequate voorziening is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het advies van een medisch specialist zorgvuldig was en dat het collectief vervoer voldoende tegemoetkomt aan de vervoersbehoefte.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verstrekte voorziening niet adequaat is vanwege lange wachttijden, incontinentieproblemen en het feit dat er vaak andere passagiers worden vervoerd. Ook stelde zij dat een eigen rolstoelbus goedkoper zou zijn, mede gezien de reparatiekosten. De Raad concludeert dat appellante deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de klachten niet zien op het regiotaxivervoer.
De Raad bevestigt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het individueel collectief vervoer de goedkoopst adequate voorziening is, waarbij de jaarlijkse kosten lager zijn dan de reparatiekosten van een eigen bus. De Raad wijst het beroep af en bevestigt het bestreden besluit, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.