ECLI:NL:CRVB:2025:1909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/1852 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Land van Cuijk 2022 Artikel 10
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit verstrekking individueel collectief vervoer regiotaxi in plaats van rolstoelbus

Appellante, rolstoelafhankelijk en woonachtig met haar eveneens rolstoelafhankelijke broer, verzocht het college om een vergoeding voor een nieuwe rolstoelbus. Het college wees dit af en verstrekte in plaats daarvan een maatwerkvoorziening in de vorm van individueel collectief vervoer met de regiotaxi, omdat dit de goedkoopst adequate voorziening is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het advies van een medisch specialist zorgvuldig was en dat het collectief vervoer voldoende tegemoetkomt aan de vervoersbehoefte.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verstrekte voorziening niet adequaat is vanwege lange wachttijden, incontinentieproblemen en het feit dat er vaak andere passagiers worden vervoerd. Ook stelde zij dat een eigen rolstoelbus goedkoper zou zijn, mede gezien de reparatiekosten. De Raad concludeert dat appellante deze stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de klachten niet zien op het regiotaxivervoer.

De Raad bevestigt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het individueel collectief vervoer de goedkoopst adequate voorziening is, waarbij de jaarlijkse kosten lager zijn dan de reparatiekosten van een eigen bus. De Raad wijst het beroep af en bevestigt het bestreden besluit, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verstrekking van individueel collectief vervoer met de regiotaxi blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2024, 23/2755 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk (college)
Datum uitspraak: 11 december 2025
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de vraag of het college terecht heeft besloten om appellante een vervoersvoorziening te verstrekken in de vorm van individueel collectief vervoer met de regiotaxi, in plaats van de door appellante gewenste rolstoelbus. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen hoger beroep ingesteld. Mr. W.R. Gorseling heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gorseling. Ook is verschenen [X]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Haren en mr. D.N. Kooyman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1962, is rolstoelafhankelijk. Zij woont samen met haar broer, die ook rolstoelafhankelijk is. Aan de broer van appellante is in 2021 een maatwerkvoorziening in de vorm van individueel vervoer verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Appellante heeft in 2009 een tweedehands bus aangeschaft waarin zij en haar broer in hun rolstoelen vervoerd konden worden (rolstoelbus). Deze bus liet zij besturen door hulp, vrienden of familie. Zij heeft op 7 juni 2022 bij het college een aanvraag gedaan om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 in de vorm van een vergoeding voor de aanschaf van een andere rolstoelbus, omdat de huidige bus kapot is.
1.3.
Met een besluit van 23 juni 2022 heeft het college aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van individueel collectief vervoer met de regiotaxi. De aanvraag om vergoeding van de aanschaf van een rolstoelbus is afgewezen. Het college heeft zich daarbij mede gebaseerd op een advies van een arts van Argonaut van 28 maart 2022.
1.4.
Met een besluit van 9 oktober 2023 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2022 ongegrond verklaard
.Volgens het college is individueel taxivervoer de goedkoopst adequate voorziening.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het advies van Argonaut zorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarin voldoende is gemotiveerd dat appellante medisch gezien in staat is om te reizen met een bus, al dan niet een eigen bus, die door de begeleider of door een familielid kan worden bestuurd en waar appellante en haar broer met de rolstoel in kunnen. Vergeleken met een eigen rolstoelbus zijn aan het gebruik van collectief vervoer praktische bezwaren verbonden, die inherent zijn aan een collectief systeem. Het college heeft het belangrijkste bezwaar van appellante, namelijk het niet met anderen kunnen reizen, weggenomen door individueel collectief vervoer aan te bieden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het individueel collectief vervoer zodanig gebrekkig functioneert dat het gebruik van de regiotaxi in de concrete omstandigheden van appellante niet als een voldoende compensatie kan worden aangemerkt voor de lokale vervoersbehoefte van appellante. De stukken die appellante heeft overgelegd hebben betrekking op bovenregionaal vervoer door Valys en niet op de regiotaxi.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de verstrekte vervoersvoorziening niet de goedkoopst adequate oplossing is. Gelet op de lange wachttijden en de incontinentieproblemen is geen sprake van een adequate voorziening. Ook is in de praktijk gebleken dat er feitelijk geen individueel vervoer plaatsvindt maar dat er bijna altijd andere mensen in de taxi worden vervoerd. Appellante stelt dat uit de stukken die ter zitting van de rechtbank zijn overgelegd blijkt dat zij heeft geklaagd over het slechte functioneren van de regiotaxi. Verder is de verstrekte voorziening ook niet het goedkoopst. Dat is volgens appellante een eigen rolstoelbus. Appellante stelt dat het repareren van de bus tussen de € 6.000,- en € 8.000,- kost. Garagebedrijven willen volgens appellante alleen een offerte maken als zij de reparatie mogen uitvoeren. Volgens haar had het college in het kader van de zorgvuldigheid in ieder geval de reparatiekosten van de rolstoelbus moeten onderzoeken en de kosten van de reparatie voor zijn rekening moeten nemen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep in de kern herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe.
4.2.
Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de verstrekte vervoersvoorziening geen adequate voorziening is. Appellante heeft haar stelling dat de wachttijden te lang zijn en dat in feite niet individueel wordt vervoerd, niet met stukken onderbouwd. De voorbeelden die appellante ter zitting heeft gegeven gaan grotendeels over ander vervoer dan de regiotaxi. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting aan de hand van het overzicht van de regiotaxi voldoende toegelicht dat appellante en haar broer niet of nauwelijks gebruik hebben gemaakt van de verstrekte voorziening en dat klachten die appellante heeft ingediend niet zien op het vervoer met de regiotaxi. De brief die appellante ter zitting heeft voorgelezen gaat over een klacht die zij heeft ingediend over het vervoer dat wordt verstrekt via de zorgverzekering. De Raad kan begrijpen dat het vervoer met een eigen rolstoelbus meer flexibiliteit voor appellante met zich meebrengt, maar dit betekent niet dat de verstrekte vervoersvoorziening reeds om die reden geen passende bijdrage levert als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.
4.3.
Verder heeft het college voldoende gemotiveerd dat de verstrekte voorziening in dit geval de goedkoopst adequate voorziening is. Indien appellante maximaal gebruik zou maken van de regiotaxi, dan bedragen de kosten volgens niet betwiste berekeningen van het college maximaal € 3.378,- per persoon per jaar. Appellante heeft gesteld dat de kosten voor reparatie € 6.000,- tot € 8.000,- bedragen, maar heeft dit bedrag niet onderbouwd met een offerte. Bovendien heeft het college er terecht op gewezen dat de kosten niet beperkt zullen blijven tot de kosten voor reparatie of aanschaf van een andere bus, maar dat vervolgens ook (jaarlijks) kosten moeten worden gemaakt voor het onderhoud aan de bus.
4.4.
Appellante heeft ter zitting een beroep gedaan op de hardheidsclausule. In wat zij heeft aangevoerd over de flexibiliteit van een eigen rolstoelbus zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) C.K. Teunissen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5
(…)
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
(…)
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Land van Cuijk 2022
Artikel 10
(…)
a. Ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen
  • Op eigen kracht en/of;
  • Met gebruikelijke hulp en/of;
  • Met mantelzorg en/of;
  • Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of;
  • Met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
  • Met gebruikmaking van algemene voorzieningen.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven
(…)
2. Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt bovendien dat:
a. Deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening wordt aangemerkt;
b. Deze in overwegende mate op het individu moet zijn gericht.
(…)