Appellant beschikte over een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor verleende dit pgb, maar constateerde dat appellant niet voldeed aan de aan het pgb verbonden verplichtingen, zoals het niet melden van een vakantie waardoor zorg werd betaald die niet is verleend. Tevens was de gewaarborgde hulp niet in staat de taken verantwoord uit te voeren, wat leidde tot een financieel risico en onvoldoende inzicht in de besteding van het pgb.
Na herhaalde verzoeken en huisbezoeken trok het zorgkantoor het verleningsbesluit voor 2023 in en verleende een aangepast pgb tot 21 juni 2023. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verplichtingen niet waren nagekomen en dat het zorgkantoor terecht het pgb had beëindigd. Het standpunt van appellant dat de gewaarborgde hulp haar taken verantwoord had uitgevoerd werd niet gevolgd. Ook het beroep op onevenredigheid van de nadelige gevolgen faalde, mede omdat zorg in natura niet onderbouwd ongeschikt was en de intrekking geen financiële gevolgen had voor appellant.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 december 2025.