ECLI:NL:CRVB:2025:1881
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als dakdekker, meldde zich op 21 maart 2018 ziek. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Op 26 februari 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek met toegenomen klachten. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering per die datum, omdat appellant reeds een WIA-uitkering ontving. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat alsnog beoordeeld moest worden of hij recht had op een Ziektewetuitkering, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad oordeelde dat appellant op grond van artikel 21 van Pro de Ziektewet niet als verzekerd wordt beschouwd voor de Ziektewet omdat hij op 26 februari 2021 een WIA-uitkering ontving. De aanvankelijke motivering van het UWV was onjuist, maar in hoger beroep werd de weigering terecht bevestigd. De Raad constateerde dat het gebrek aan motivering in eerste aanleg niet tot benadeling van appellant leidde en paste artikel 6:22 Awb Pro toe.
De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant. De zaak illustreert de samenloop van sociale zekerheidsuitkeringen en de toepassing van verzekeringsbegrippen binnen de Ziektewet en WIA.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering omdat appellant op dat moment een WIA-uitkering ontving.