ECLI:NL:CRVB:2025:1858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering terecht verklaard
Appellante was sinds mei 2021 ziekgemeld met knieklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 24 april 2023 omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in passende functies. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had dan het UWV aannam en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De rechtbank vernietigde de besluiten deels vanwege onzorgvuldigheden bij de beoordeling van één functie. Het UWV nam daarop een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist en voldoende gemotiveerd zijn. De beperkingen van appellante zijn adequaat in kaart gebracht en de geselecteerde functies passend. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat de medische situatie op de datum in geschil anders was.
De Raad bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd en de WIA-uitkering terecht is geweigerd vanwege het niet voltooien van de wachttijd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 24 april 2023 en de weigering van de WIA-uitkering per 29 mei 2023 worden bevestigd.