ECLI:NL:CRVB:2025:1848
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering na herziening
Betrokkene, werkzaam als apothekersassistente en senior verkoopmedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende een uitkering toe op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
Het UWV ging in hoger beroep en na benoeming van een verzekeringsarts als deskundige werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 39,46%. Het UWV kende daarop alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toe, waartegen betrokkene geen bezwaar maakte.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het een hogere arbeidsongeschiktheid toekende en veroordeelde het UWV in de proceskosten. De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit van het UWV niet op een deugdelijke medische grondslag berustte, maar dat de herziene vaststelling wel juist is. De zaak werd zonder nadere zitting gesloten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het een hogere WIA-uitkering toekent en bevestigt een arbeidsongeschiktheid van 39,46%.