Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1844

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/1671 ONBEK
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Tijdens de procedure heeft zij meerdere verzoeken om wraking ingediend, die door de wrakingskamer zijn afgewezen of niet in behandeling genomen.

De Centrale Raad van Beroep heeft appellante bij twee afzonderlijke brieven gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald.

Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het griffierecht verschuldigd voor het hoger beroep. Omdat appellante niet tijdig heeft betaald, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W.R. van der Velde in aanwezigheid van griffier M.D.F. de Moor. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2024, 24/778, 24/838, 24/840, 24/841, 24/842, 24/843, 24/844, 24/845 en 24/1143 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 december 2025

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Op 26 september 2025 heeft appellante een verzoek om wraking ingediend, onder meer in de zaak 25/1671. Bij uitspraak van 7 november 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek om wraking afgewezen.
Op 24 november 2025 heeft appellante opnieuw verzocht om wraking, onder meer in de zaak 25/1671. Bij uitspraak van 1 december 2025 van de wrakingskamer is beslist dat het verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen en bepaald dat een volgend verzoek om wraking in (onder meer) deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 15 augustus 2025 is appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Dat is niet gebeurd.
Bij aangetekende brief van 15 september 2025 is appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden als het griffierecht niet tijdig wordt betaald.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) M.D.F. de Moor
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.