ECLI:NL:CRVB:2025:1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich ziekgemeld met schouderklachten en na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering per 13 april 2020, meldde hij zich op 2 augustus 2021 met toegenomen klachten. Het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, waaronder psychische klachten en een mogelijke autisme spectrum stoornis, niet voldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren onderbouwd en dat het feit dat appellant op een wachtlijst staat voor een psychologisch onderzoek niet leidt tot het aannemen van aanvullende beperkingen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering per 2 augustus 2021. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 2 augustus 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.