ECLI:NL:CRVB:2025:1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich ziek na een werkongeval. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 28 augustus 2023 omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Tevens werd de WIA-uitkering geweigerd omdat de ZW-uitkering voor het einde van de wachttijd was beëindigd.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten, stellende dat zij de door het UWV geselecteerde functies niet kon verrichten en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere standpunten zonder nieuwe medische gegevens te overleggen. De Centrale Raad van Beroep achtte deze herhaling onvoldoende als gemotiveerde betwisting en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor het UWV-besluit in stand bleef en appellante geen proceskostenvergoeding kreeg.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.