ECLI:NL:CRVB:2025:1816

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/1544 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van WGA-vervolguitkering en beoordeling van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toekenning van een WGA-vervolguitkering aan appellante, die zich had ziekgemeld vanwege gezondheidsklachten. De Raad beoordeelt of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WGA-vervolguitkering van appellante per 27 juni 2023 terecht heeft vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Appellante betwist de juistheid van de medische beoordeling en stelt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad bevestigt dat het Uwv de WGA-vervolguitkering correct heeft vastgesteld op basis van de geschiktheid van de geselecteerde functies en de mate van arbeidsongeschiktheid van 39,91%. De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het Uwv het griffierecht aan appellante vergoedt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2024, 23/3686 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 december 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WGA-vervolguitkering van appellante per 27 juni 2023 heeft berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WGAvervolguitkering juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als assistent intake en service voor 20 uur per week. Op 5 april 2016 heeft zij zich ziekgemeld wegens gezondheidsklachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 mei 2019 tot en met 28 mei 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44,88%.
1.2.
Op 11 januari 2021 heeft appellante aan het Uwv gemeld dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Vervolgens heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat de lichamelijk beperkingen van appellante ongewijzigd zijn en de psychische klachten zijn verbeterd. Hij heeft op 16 maart 2021 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en voor appellante passende functies geselecteerd, op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,47%. Bij besluit van 7 april 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 1 februari 2021 48,47% arbeidsongeschikt is en bepaald dat appellante met ingang van 29 mei 2021 recht heeft op een vervolguitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
1.3.
Op 3 juni 2022 heeft appellante gemeld dat haar gezondheidssituatie per 1 januari 2020 is verslechterd in verband met pijnklachten in haar nek, schouders, elleboog en handen. Ze gebruikt oxycodon tegen de pijn en krijgt hulp van anderen. De huisarts heeft gezegd dat er geen behandelingen meer zijn.
1.4.
Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsarts appellante gezien en onderzocht op een spreekuur. De verzekeringsarts heeft op basis van de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten zijn na het laatste medisch onderzoek op 4 februari 2021. De FML van 16 maart 2021 heeft de verzekeringsarts in grote lijnen gehandhaafd. De beperkingen zijn neergelegd in een FML van 25 juli 2022. Een arbeidsdeskundige heeft passende functies geselecteerd en op basis daarvan een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 43,31%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 oktober 2022 de vervolguitkering per 1 januari 2023 herzien naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
1.5.
Bij besluit van 26 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2022 gegrond verklaard en de vervolguitkering eerst per 27 juni 2023 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen en op 18 april 2023 een gewijzigde FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voor appellante nieuwe functies geselecteerd en op basis daarvan een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 39,91%. Vanwege het selecteren van nieuwe functies heeft het Uwv de herziening van de vervolguitkering eerst per 27 juni 2023 laten ingaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat geen twijfel bestaat over de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was bekend met de inhoud van de medische informatie van de behandelend sector die appellante in bezwaar heeft overgelegd en de daarin vermelde diagnoses. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in bezwaar aanvullende beperkingen in de FML vastgelegd en heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanknopingspunten zijn voor nog meer of andere beperkingen. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht die reden geeft voor twijfel aan dit medisch oordeel. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de bij appellante vastgestelde beperkingen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv de toename van haar beperkingen heeft onderschat en dat de medische beoordeling tegenstrijdigheden bevat. Zij meent dat zij vanwege haar pijnklachten in haar nek en rug met uitstraling naar de benen, handen en vingers en elleboog en fibromyalgie volledig arbeidsongeschikt is. Als gevolg van haar nekhernia met vernauwingen van de zenuwen hadden ook beperkingen aangenomen moeten worden ten aanzien van het op schouderhoogte actief zijn, tillen en dragen, frequent reiken tijdens het werk. Ook is appellante ten onrechte niet beperkt geacht voor koudein verband met haar fibromyalgie. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanvullende beperking voor het werk zonder professioneel vervoer wel als extra beperking in zijn rapport van 11 april 2023 genoemd maar deze ten onrechte niet in de FML van 18 april 2023 opgenomen. Verder heeft appellante erop gewezen dat de voor haar geselecteerde functies fysiek zwaarder zijn dan haar vroegere functie, die zij al niet vol kon houden. Deze functies overstijgen haar belastbaarheid gelet op haar klachten. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellante in hoger beroep over de medische beoordeling heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe of andere medische informatie ingebracht.
5.2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 april 2023 geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een nekartrose, fibromyalgie, tennisarm rechts, status na PTSS en verhoogde bloeddruk. Naast de reeds door de primaire arts aangenomen psychische en lichamelijke beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een aantal aspecten aanvullende beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het aangewezen geacht om in verband met het medicijngebruik voor appellante een beperking voor persoonlijk risico aan te nemen en haar beperkt te achten voor werk op hoogte en gevaarlijke machines en werk waarbij sprake is van professioneel vervoer. Verder is appellante aanvullend beperkt geacht voor het dragen van beschermende kleding en is een beperking aangenomen voor knijp- grijpkracht vanwege de verminderde kracht in de handen. Het repetitieve gebruik en het toetsenbord- en muisgebruik waren al beperkt. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een urenbeperking van zes uur per dag, dertig uur per week vastgesteld gezien de noodzaak van recuperatie. Met deze aanvullende beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk de voor appellante vastgestelde belastbaarheid gemotiveerd.
5.2.2.
Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij is van belang dat zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante lichamelijk en psychisch hebben onderzocht en dat bij de lichamelijke onderzoeken geen bewegingsbeperkingen zijn vastgesteld, behalve verminderde kracht in haar handen. Wat betreft de psychische klachten zijn bij de onderzoeken door de artsen van het Uwv geen bijzonderheden geconstateerd en is gebleken dat appellante voor haar psychische klachten al sinds lange tijd niet meer onder behandeling is. Appellante heeft noch in beroep noch in hoger beroep nieuwe medische gegevens ingediend. De Raad ziet daarom geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
In het rapport van 24 april 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder geselecteerde functies laten vervallen en de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) en als reservefunctie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBCcode 111180) geselecteerd. In het rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de belasting in de eerste drie functies de beperkingen van appellante niet overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is uitdrukkelijk ingegaan op de aspecten niet werken met gevaarlijke machines of op hoogte, het dragen van beschermende kleding, de grijp- en knijpkracht van de handen en de hand- en vingerbewegingen, staan tijdens het werk, het tillen, de hoofdbewegingen en de afwisselingen van houding tussen staan en zitten. Deze toelichting kan worden gevolgd.
5.4.
Het Uwv heeft verder terecht opgemerkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep appellante niet geschikt heeft geacht voor haar maatgevende arbeid vanwege in dat werk voorkomende pieken en verstoringen en het langdurig werken met toetsenbord en muis en dat in de geselecteerde functies een overschrijding op die aspecten niet voorkomt.
5.5.
De grond van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in het rapport van 11 april 2023 vermelde aanvullende beperking voor professioneel vervoer ten onrechte niet heeft opgenomen in de FML van 18 april 2023, slaagt. Dit heeft tot gevolg gehad dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit aspect niet heeft meegenomen in de beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies. De Raad constateert dat in de geselecteerde functies geen sprake is van professioneel vervoer, zodat wordt geconcludeerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn. De Raad ziet hierin wel aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten en te bepalen dat het Uwv het griffierecht aan appellante vergoedt.
5.6.
Op basis van de geschiktheid van de drie functies met de hoogste lonen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op juiste gronden een mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 39,91%.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 39,91% van appellante in stand blijft.
7. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en op € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Het totale bedrag van voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt daarmee € ‭3.628,-‬.‬‬‬‬‬‬ ‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
8. Verder moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.628,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.