ECLI:NL:CRVB:2025:1774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
23/1123 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering en ontvankelijkheid bezwaar tegen eerdere beslissing Uwv

In deze zaak gaat het om de beëindiging van de ZW-uitkering van appellante door het Uwv per 3 juli 2021. Appellante heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen deze beëindiging, maar heeft wel gronden ingediend tegen een eerder besluit van het Uwv waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit eerdere besluit is inmiddels herzien door het Uwv. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep, voor zover gericht tegen het eerdere besluit, gegrond is, terwijl het beroep tegen de beëindiging van de ZW-uitkering ongegrond is. De Raad heeft vastgesteld dat appellante niet tijdig de gronden van haar bezwaar heeft ingediend, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft deze beslissing bevestigd, maar appellante is het daar niet mee eens. De Raad heeft de zaak zonder zitting behandeld, omdat partijen geen zitting hebben aangevraagd. De Raad heeft uiteindelijk het beroep tegen het eerdere besluit gegrond verklaard en het beroep tegen de beëindiging van de ZW-uitkering ongegrond verklaard. Tevens is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2023, 21/5366 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 december 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 3 juli 2021 heeft beëindigd. Appellante heeft hiertegen geen gronden aangevoerd in hoger beroep. Wel heeft zij gronden gericht tegen een eerder besluit, waarin het Uwv haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit besluit heeft het Uwv inmiddels herzien. De Raad komt daarom tot het oordeel dat het hoger beroep, voor zover gericht tegen het eerdere besluit, gegrond is en het beroep tegen het besluit over de weigering van de ZW-uitkering ongegrond is.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Suski, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 18 november 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft niet gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als orderpicker voor 40 uur per week. Op 3 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 12 april 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 21 mei 2021 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 3 juli 2021 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd
1.2.
Appellante heeft op 23 juni 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bezwaarschrift zijn geen gronden opgenomen. Wel heeft appellante vermeld dat documenten gestuurd kunnen worden naar het door haar genoemde postadres van haar gemachtigde in Polen.
1.3.
Met een brief van 24 augustus 2021 heeft het Uwv appellante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, door uiterlijk 21 september 2021 alsnog de gronden van het bezwaar in te dienen. In deze brief is aangegeven dat als er niet binnen deze termijn wordt gereageerd, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Uit de zogenoemde Track & Trace-gegevens blijkt dat deze brief op 2 september 2021 op het door de gemachtigde van appellante opgegeven postadres is bezorgd.
1.4.
Met een faxbericht van 22 september 2021 om 19.05 uur heeft appellante de gronden van het bezwaar bij het Uwv ingediend.
1.5.
Bij besluit van 6 oktober 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet tijdig is hersteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bezwaarschrift ten minste de gronden van bezwaar bevat. Indien niet is voldaan aan de eisen uit dit artikel, kan het bezwaar ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Voor zover appellante veronderstelt dat haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, omdat haar bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, is die veronderstelling niet juist. Het bezwaar van appellante is niet-ontvankelijk verklaard, omdat haar bezwaarschrift geen gronden bevat en dat verzuim niet tijdig is hersteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante de gronden van het bezwaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn, dus uiterlijk op 21 september 2021, heeft ingediend. Het bezwaarschrift voldoet daarom niet aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde eisen. Appellante is voldoende in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Het Uwv heeft met de Track & Trace-gegevens inzichtelijk gemaakt dat de brief van 24 augustus 2021 op 2 september 2021 bij de gemachtigde van appellante is bezorgd. Zelfs als die brief op 6 september 2021 zou zijn bezorgd, zoals appellante stelt, had zij nog vijftien dagen om de gronden van het bezwaar in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar dan ook op goede gronden nietontvankelijk verklaard.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 24 augustus 2021 ook daadwerkelijk op die dag is verzonden. Zij heeft deze brief namelijk pas op 2 september 2021 ontvangen. De termijn van vier weken is daarmee niet ingegaan op 25 augustus 2021, waardoor de laatste dag van die termijn ook niet op 21 september 2021 was. De bezwaargronden zijn daarom tijdig ingediend.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Nadere besluitvorming
4.1.
Het Uwv heeft op 18 november 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij het Uwv het bezwaar van appellante alsnog ontvankelijk heeft verklaard en inhoudelijk heeft beoordeeld. Bij dit besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat zij per 3 juli 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige ten grondslag.
4.2.
De Raad heeft appellante meermalen in de gelegenheid gesteld te reageren op bestreden besluit 2, maar dat heeft appellante niet gedaan.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd door het bezwaar van appellante alsnog ontvankelijk te verklaren en vervolgens ongegrond, omdat zij per 3 juli 2021 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking, zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb, in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
5.2.
Het Uwv heeft met bestreden besluit 2 vastgesteld dat appellante met ingang van 3 juli 2021 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Appellante heeft niet gesteld of onderbouwd dat de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling die ten grondslag liggen aan dit besluit onjuist zijn. Appellante heeft in het geheel niet gereageerd op het rapport van 19 juni 2024 van de verzekeringsarts en het rapport van 1 juli 2024 van de arbeidsdeskundige. Er is daarom geen aanleiding om deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit voor onjuist te houden, zodat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 niet slaagt. De weigering om appellante per 3 juli 2021 een ZW-uitkering toe te kennen, blijft in stand.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard.
6.2.
Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 907,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,-) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 907,-). In totaal is dit een bedrag van € 1.814,-. Daarnaast dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2021 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2024 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.

(getekend) S. Wijna

(getekend) S.P.A. Elzer