Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1773

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
23/3241 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een WIA-zaak. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen die volledig tegemoet kwam aan appellante. Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend, aanvullende stukken opgevraagd en vragen gesteld aan het UWV. Omdat geen van beide partijen om een nadere zitting vroeg, werd het onderzoek schriftelijk gesloten. Op grond van de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht oordeelde de Raad dat het UWV op verzoek van appellante in de proceskosten moet worden veroordeeld.

De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €4.125,41, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, inclusief een vergoeding van een medische factuur. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht van €186,- vergoeden. De uitspraak werd op 3 december 2025 door de Centrale Raad van Beroep uitgesproken.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023, 22/943 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 december 2025

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Aarsman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 21 augustus 2024. Voor appellante is mr. Aarsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
De Raad heeft het onderzoek na afloop van de zitting heropend.
De Raad heeft vragen gesteld aan het Uwv
.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.
Desgevraagd heeft appellante op 3 maart 2025 een reactie ingediend.
De Raad heeft vervolgens opnieuw vragen gesteld aan het Uwv.
Het Uwv heeft op 3 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep op 6 augustus 2025 ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Omdat geen van beide partijen om een nadere zitting heeft gevraagd, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 juli 2025 volledig aan appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1,5 punt voor het tweemaal verschijnen op een zitting en 0,5 punt voor de reactie van 1 juni 2023, met een waarde per punt van € 907,-) en € 2.267,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor de reactie van 3 maart 2025, met een waarde per punt van € 907,-). De factuur van 9 maart 2023 van M. Bronk, physician assistant, met een bedrag van € 43,91, komt voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 4.125,41.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.125,41;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.D.F. de Moor