ECLI:NL:CRVB:2025:1770

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/230 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en medische beoordeling door het Uwv

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 3 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante, die minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante was van mening dat zij meer beperkingen had dan het Uwv had vastgesteld en dat de door het Uwv geselecteerde functies niet passend waren. De Raad heeft de argumenten van appellante niet gevolgd en geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn, gebaseerd op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2023. De Raad heeft vastgesteld dat er geen motiveringsgebrek was en dat de medische beoordeling door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard, en de Raad heeft deze uitspraak bevestigd. De Raad concludeert dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is en dat appellante geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2024, 24/1696 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 december 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de WIA-uitkering per 11 juli 2023 terecht heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en daarom de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 oktober 2025. Appellante is verschenen, vergezeld door haar dochter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als servicemedewerkster tankstation voor 31,95 uur per week. Op 12 december 2014 heeft zij zich ziekgemeld met rugklachten en uitstraling in beide benen. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 9 december 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 9 december 2018 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2023. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 10 mei 2023 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 11 juli 2023 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante aansluitend op de hoorzitting van 21 december 2023 medisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie bij de huisarts van appellante opgevraagd en ontvangen en geconcludeerd dat de beperkingen en mogelijkheden van appellante op datum in geding op de juiste wijze zijn aangegeven in de FML van 8 maart 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 10,36% is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek verricht. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de psychische beperkingen van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat hij heeft onderzocht wat mogelijk was, maar dat de toestand van appellante verder onderzoek niet toeliet. Omdat er een verslechtering leek te zijn opgetreden sinds de eerdere beoordeling, heeft hij informatie van de huisarts opgevraagd om de situatie op de datum in geding vast te stellen. De rechtbank heeft in wat appellante in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv te twijfelen. Ook in de brief van de anesthesioloog-pijnspecialist drs. W. ter Woerds van 11 december 2023 is onvoldoende reden gezien voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. De anesthesioloogpijnspecialist heeft appellante het advies gegeven om zich met fysiotherapie te richten op spierversterkende oefeningen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hieruit afgeleid dat het voor appellante goed en niet schadelijk is om gedoseerd te bewegen. Naar het oordeel van de rechtbank is afdoende gemotiveerd waarom in de FML ten aanzien van de datum in geding niet meer beperkingen zijn aangenomen voor de psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op het spreekuur van 21 december 2023 geprobeerd om appellante psychisch te onderzoeken, maar de toestand van appellante liet verder onderzoek niet toe. Na ontvangst van de informatie van de huisarts kwam hij tot de conclusie dat, hoewel appellante forsere psychische klachten aangaf en psychisch minder goed overkwam, uit de informatie van de huisarts niet bleek dat haar psychische toestand objectief is verslechterd. In beroep is vervolgens in het rapport van 9 september 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat met de aangenomen beperkingen voldoende tegemoet is gekomen aan de klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de brief van de huisarts van 8 september 2023 geen medische onderbouwing gezien voor de aanwezigheid van ernstige psychische problematiek, zeker niet op de datum in geding. Ook ten aanzien van de duurbelasting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom niet meer beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 januari 2024 opgemerkt dat hij de richtlijnen uit de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid heeft gevolgd en dat de ernst van de psychische problemen op de datum in geding niet zodanig was dat deze een energetische indicatie voor een urenbeperking gaf. De slaapproblemen die appellante heeft aangegeven, vormen eveneens geen reden voor een energetische indicatie. Deze worden mede veroorzaakt door inactiviteit overdag. Er is ook geen verminderde belastbaarheid door behandeling of een preventieve reden voor een urenbeperking. Ook in het rapport van 9 september 2024 is de verzekeringsarts op de duurbelasting ingegaan. Medisch kan niet onderbouwd worden dat appellante onvoldoende energie heeft om te kunnen werken door haar medicatie. Quetiapine en oxycodon kunnen inderdaad als bijwerking slaperigheid en sufheid geven, maar vooral in de eerste weken van gebruik. Het gebruik van deze medicatie geeft geen reden om niet deel te kunnen nemen aan het arbeidsproces. Met het medicatiegebruik is verder volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep al rekening gehouden door beperkingen aan te nemen voor werk met verhoogd persoonlijk risico, beroepsmatig vervoer, een hoog handelingstempo en door fysieke beperkingen aan te nemen. Van de andere medicatie die appellante gebruikt, is niet bekend dat je er moe van kunt worden. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan deze toelichting. Uitgaande van de juistheid van de FML van 8 maart 2023 heeft de arbeidsdeskundige voldoende toegelicht waarom de geselecteerde voorbeeldfuncties van administratief medewerker (SBC-code 315133), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en telefonist (SBC-code 315174) passend zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eerst in beroep is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgelegd waarom een psychisch onderzoek in bezwaar achterwege is gebleven. Volgens appellante is het onderzoek niet zorgvuldig geweest. Haar verslechterde medische situatie is door het Uwv onvoldoende beoordeeld. Vanwege deze significante wijziging in de medische situatie had de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig en actueel psychologisch onderzoek moeten verrichten. Het enkele opvragen van informatie bij de huisarts voldoet niet aan deze verplichting. Als de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel een psychisch onderzoek had gedaan, had kunnen worden vastgesteld dat er aanwijzingen zijn voor een evidente, ernstige psychische stoornis bij appellante zoals in de door appellante aangeleverde medische documenten naar voren komt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat het in het bestreden besluit ontbreekt aan een inhoudelijke afweging over de psychische gesteldheid van appellante. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 mei 2023, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, wordt melding gemaakt van verschillen in presentatie tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten opzichte van het onderzoek in november 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er bij appellante geen sprake was van ernstige psychische problematiek op de te beoordelen datum en heeft daarbij met name de informatie van de behandelaars betrokken. Daarmee is voorzien in een voldoende inhoudelijke afweging omtrent de psychische beperkingen van appellante per 11 juli 2023. Er is geen sprake van een motiveringsgebrek, zoals appellante heeft betoogd.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Aanvullend wordt het volgende overwogen. De verzekeringsarts heeft informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante en heeft dossierstudie verricht, appellante gezien op een spreekuur en haar psychisch en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook dossierstudie verricht, appellante gezien op een hoorzitting en haar lichamelijk en, voor zover mogelijk, psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft actuele informatie opgevraagd bij de huisarts en deze informatie betrokken in de beoordeling. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv uit een oogpunt van zorgvuldigheid een externe psychiatrische expertise had moeten laten verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte op dit punt over voldoende informatie om de ernst en aard van de psychiatrische problematiek van appellante op de datum in geding te beoordelen.
5.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, over de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zijn een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Uit de gedingstukken en dat wat namens appellante ter zitting naar voren is gebracht, begrijpt de Raad dat de psychische klachten van appellante na de datum in geding zijn verergerd. Deze verslechtering kan echter in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol spelen bij de onderhavige beoordeling. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 8 maart 2023 per 11 juli 2023.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante als wordt uitgegaan van de FML van 8 maart 2023.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H.A. Baars