ECLI:NL:CRVB:2025:1768

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/2223 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de ZW-uitkering van appellant wegens verdiencapaciteit boven 65% van het maatmanloon

In deze zaak gaat het om de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van appellant door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) per 24 april 2023. Het Uwv heeft geoordeeld dat appellant in staat is om meer dan 65% van zijn maatmanloon te verdienen, wat leidt tot de beëindiging van zijn uitkering. Appellant, die als oogstmedewerker werkte, had zich ziekgemeld na een auto-ongeluk en ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een beoordeling door een Uwv-arts, die beperkingen vaststelde, concludeerde een arbeidsdeskundige dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing werd door het Uwv ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg bevestigde deze beslissing, waarop appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant meer dan 65% kan verdienen van zijn maatmanloon. De Raad oordeelde dat er voldoende medische grondslag was voor de vastgestelde beperkingen en dat er geen reden was om aan de juistheid van het medisch oordeel te twijfelen. De beroepsgronden van appellant werden verworpen, en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitspraak

24/2223 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 augustus 2024, 23/2586 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 december 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 24 april 2023 terecht heeft beëindigd omdat hij meer dan 65% kan verdienen van zijn maatmanloon. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Remport Urban, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025. Namens appellant is mr. Remport Urban verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als oogstmedewerker in de [groenteteelt] voor 28,08 uur per week. Zijn dienstverband is op 21 mei 2021 geëindigd. Appellant heeft zich op 30 juli 2021 ziekgemeld met rug-, schouder-, en nekklachten door een auto-ongeluk op 22 mei 2021. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
In het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. Deze arts heeft appellant onderzocht en informatie van de behandelend neuroloog van 22 november 2021 in zijn beoordeling betrokken. In zijn rapport van 6 maart 2023 heeft deze Uwv-arts appellant beperkt geacht voor zwaar fysiek werk en heeft hij appellant in verband met zijn mentale klachten, onder andere prikkelbaarheid en slaapproblemen, aangewezen geacht op werkzaamheden zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op werk waarin minder contact met klanten en conflicthantering is vereist en dat geen leidinggevende aspecten bevat. De beperkingen heeft zij neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 maart 2023.
1.3.
Een arbeidsdeskundige heeft op 23 maart 2023 vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor zijn laatst verrichte werk. Hij heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde vastgesteld dat appellant meer dan 65%, en wel 100%, kan verdienen van zijn maatmaninkomen.
1.4.
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellant per 24 april 2023 beëindigd omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.5.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 augustus 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 augustus 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 augustus 2023 ten grondslag.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het oordeel van de primaire Uwv-arts gevolgd. Volgens deze verzekeringsarts kan appellant wel samenwerken met anderen, onder meer omdat hij op een adequate manier kon deelnemen aan de hoorzitting en er vanuit het primaire contact geen signalen zijn dat hij helemaal niet met anderen zou kunnen samenwerken. Ook is voldoende rekening gehouden met zijn prikkelbaarheid door de in de FML opgenomen beperking voor conflicthantering en doordat is aangegeven dat appellant enkel oppervlakkige en kortdurende klantcontacten aankan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de primaire arbeidsdeskundige gevolgd. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschreden en voldoet hij aan de opleidings- en ervaringseisen. Meer dan niveau mbo-1 wordt niet gevraagd en er is geen ervaring nodig. De signaleringen zijn gemotiveerd in het Resultaat functiebeoordeling (RF) van 25 augustus 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de beperkingen van appellant niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv was bekend met de medische problematiek en de daarmee samenhangende klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van medische informatie uit de behandelend sector, heeft gerapporteerd dat sprake is van fysieke problematiek en dat tijdens het spreekuur en eigen onderzoek geen wezenlijke nieuwe zaken naar voren zijn gekomen ten opzichte van de primaire medische beoordeling. Appellant heeft geen (medische) stukken ingebracht die twijfel oproepen aan het oordeel van de verzekeringsartsen. Ten tijde van het medisch onderzoek was geen sprake van therapie of een behandeling en zijn geen duidelijke afwijkingen vastgesteld. Verder is volgens de rechtbank de grond dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn, gestoeld op het standpunt dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van het medisch oordeel te twijfelen, wordt deze beroepsgrond verworpen.
Het standpunt van appellant
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies zeer goed klinken maar dat die niet passend zijn door zijn cognitieve en psychische problemen. Het revalidatietraject heeft geholpen en met name de gesprekken met de psycholoog maar appellant is er nog lang niet. In de geselecteerde functies is het hebben van voldoende concentratie vereist. Het lukt hem niet zijn aandacht erbij te houden, hij is vaak duf en suf. Ook heeft de verzekeringsarts ten onrechte geconcludeerd dat appellant kan samenwerken met anderen. Dat hij tijdens het vrij korte gesprek met de verzekeringsarts samenwerkend bleek, is slechts een momentopname.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 augustus 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 augustus 2023. Volgens het Uwv heeft appellant zijn standpunt dat de in de FML van 6 maart 2023 vastgestelde beperkingen niet juist zijn, niet met medische informatie onderbouwd en heeft de arbeidsdeskundige in het RF van 25 augustus 2023 de signaleringen afdoende gemotiveerd.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 24 april 2023 heeft beëindigd omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
4.2
De beroepsgronden van appellant dat het Uwv hem ten onrechte niet beperkt heeft geacht voor samenwerken (aspect 2.9 van de FML) en aandacht (aspect 1.1 en 1.2 van de FML), waardoor de geselecteerde functies niet geschikt zijn, worden verworpen. Waarom dat zo is, wordt hierna toegelicht.
4.3.
Uit de rapporten van de primaire Uwv-arts van 6 maart 2023, de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 augustus 2023 en de brieven van de orthopedisch chirurg van 12 augustus 2021 en neuroloog van 22 november 2021 blijkt niet van cognitieve problemen dan wel problemen met samenwerken.
4.4.
De primaire Uwv-arts heeft bij het psychisch onderzoek op 3 maart 2023 geconstateerd dat appellant coöperatief reageerde op de gestelde vragen en dat ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies geen bijzonderheden werden waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn observatie van appellant op 14 augustus 2023 vastgesteld dat appellant tijdens het half uur durende contact vragen kon beantwoorden en gebeurtenissen in de tijd kon plaatsen. Verder heeft hij geen concentratiezwakten en/of aandachtstekorten gezien. Ook heeft hij in zijn rapport van 15 augustus 2023 de redenering van appellant dat hij last heeft van een kort lontje, waardoor hij meent niet met anderen te kunnen samenwerken, verworpen. Volgens deze verzekeringsarts kon appellant immers ook op een adequate manier deelnemen aan de hoorzitting en ook vanuit het primaire contact zijn er geen signalen dat appellant helemaal niet met anderen zou kunnen samenwerken. Bij het in kaart brengen van de belastbaarheid is volgens deze verzekeringsarts voldoende rekening gehouden met zijn prikkelbaarheid door de beperking die is gesteld ten aanzien van conflicthantering (aspect 2.8 van de FML) en doordat in aspect 2.12 van de FML is vermeld dat appellant enkel oppervlakkige en kortdurende klantcontacten aankan.
4.5.
De orthopedisch chirurg heeft bij zijn onderzoek op 12 augustus 2021 vastgesteld: helder bewustzijn, patiënt reageert adequaat, geen cognitieve problemen geobjectiveerd. Ook de behandeld neuroloog heeft bij neurologisch onderzoek van appellant op 22 november 2021 (een half jaar na het auto-ongeval in mei 2021) vastgesteld dat sprake is van helder bewustzijn, een adequate reactie en dat geen cognitieve problemen zijn geobjectiveerd. In de brieven van 22 januari 2022 en 8 februari 2022 hebben de neuroloog respectievelijk de orthopedisch chirurg hierover niet anders verklaard. Ook uit de informatie van de huisarts van 14 januari 2022 blijkt niet van cognitieve of psychische problemen.
4.6.
Gelet op de rapporten van de (verzekerings)artsen en de informatie van de neuroloog en orthopedisch chirurg is niet aannemelijk dat andere dan wel verdergaande beperkingen hadden moeten worden gesteld. Appellant heeft geen medische informatie ingestuurd die reden geeft om hieraan te twijfelen.
Conclusie en gevolgen
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H.A. Baars