ECLI:NL:CRVB:2025:1766

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/737 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid van functies

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 3 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam. Appellante, die zich ziek had gemeld met klachten aan haar rechterhand, had een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De Raad oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing van het bestreden besluit niet in geschil was, aangezien appellante in hoger beroep uitsluitend arbeidskundige gronden had aangevoerd. De Raad concludeerde dat het Uwv voldoende had gemotiveerd dat de aan de beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt waren voor appellante. De rechtbank had eerder het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad volgde dit oordeel. De Raad bevestigde de weigering van de WIA-uitkering, waardoor appellante geen recht had op vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van zowel medische als arbeidskundige aspecten bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025, 24/8566 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 december 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante per 5 september 2022 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante is de belasting in de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies gelijk aan die in haar laatste werk als productiemedewerker. Dat werk is door het Uwv niet passend geacht. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en op verzoek nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 22 oktober 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker via een uitzendbureau voor gemiddeld 37,50 uur per week. Op 7 september 2020 heeft zij zich ziekgemeld met klachten aan de rechterhand als gevolg van een carpaal tunnel syndroom (CTS). Ze is geopereerd in januari 2021. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 19 juni 2023 geweigerd appellante met ingang van 5 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 29 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. In verband met de knieklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar beperkingen aan de FML toegevoegd voor traplopen, lopen tijdens het werk, staan tijdens het werk, knielen of hurken en geknield of gehurkt actief zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatgevende arbeid gewijzigd en op basis van de gewijzigde FML van 23 juli 2024 de geschiktheid van de geselecteerde functies beoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat, ondanks het vervallen van één van de geselecteerde functies, appellante met de resterende functies onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding en verdergaande beperkingen had moeten aannemen dan de beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 23 juli 2024. Het standpunt van appellante dat zij geen productiewerk kan verrichten omdat haar rechterarm helemaal niet functioneert en haar linkerarm slecht functioneert, heeft de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 23 juli 2024 heeft overwogen dat de primaire arts op basis van de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens tot een plausibel en consistent oordeel heeft kunnen komen over de belastbaarheid bij appellante. Vanwege de pijnklachten van de nek bij een status na een operatie in verband met de nekhernia in 2018 en daarnaast de klachten van pijn en krachtverlies in de rechterhand bij een status na de operatie aan CTS en carpal bossing, zijn door de primaire arts beperkingen aangegeven ten aanzien van zwaar arm-/handbelastend werk rechts, klimmen en boven schouderhoogte actief zijn. Deze beperkingen zijn conform de beperkingen zoals aangegeven bij de Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb), waarbij door de primaire arts in de FML enkele toelichtingen zijn toegevoegd ter verduidelijking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van de nek- en arm-/handklachten. Omdat de primaire arts bij het lichamelijk onderzoek geen krachtverlies kon objectiveren, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er met deze beperkingen ruimhartig tegemoetgekomen is aan de klachten van krachtverlies en het uit haar handen laten vallen van dingen. Appellante heeft, naar het oordeel van de rechtbank, geen stukken overgelegd die aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep doen twijfelen. De e-mail die appellante in beroep heeft overgelegd, waarin zij haar situatie uitlegt, bevat geen nieuwe informatie over de datum in geding, waardoor deze niet aan de beoordeling door de verzekeringsartsen kan afdoen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 23 juli 2024 heeft de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd geen reden gezien om de geschiktheid van de geselecteerde functies in twijfel te trekken. Voor zover appellante heeft gesteld dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten omdat haar rechterarm helemaal niet functioneert en haar linkerarm slecht functioneert, geldt dat dit standpunt voortvloeit uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank is die opvatting niet juist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juli 2024 voldoende uitgelegd waarom de functies geschikt zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij is afgekeurd voor haar eigen werk en dat zij thans volgens de artsen werk kan verrichten, dat precies hetzelfde is als het werk waarvoor zij wordt afgekeurd. Als zij thans in staat wordt geacht diverse werkzaamheden te verrichten in een fabrieksmatige setting, had zij net zo goed goedgekeurd kunnen worden voor het werk dat zij tot voor kort nog deed. Appellante heeft dit aangevoerd, maar het Uwv en de rechtbank gaan hierop niet diep in. Uitsluitend wordt gekeken of de vinkjes goed staan, maar het argument van appellante dat zij aan het eind van de rit wordt goedgekeurd voor werk waarvoor zij eerst is afgekeurd, wordt niet met argumenten gemotiveerd weerlegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing van het bestreden besluit niet in geschil is nu appellante in hoger beroep uitsluitend arbeidskundige gronden heeft aangevoerd.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
De in hoger beroep herhaalde stelling van appellante, dat de geselecteerde functies niet verschillen van haar laatste werk als productiemedewerker, vindt geen steun in de in het dossier aanwezige stukken. In het rapport van 9 december 2021 in het kader van de EZWb heeft de arbeidsdeskundige vastgelegd dat de kenmerkende belasting in het laatste werk van appellante als productiemedewerker onder meer bestaat uit, hand- en vingergebruik, tillen en dragen, bukken/knielen/hurken, lopen en staan. In de FML van 23 juli 2024 zijn voor appellante onder meer beperkingen vastgelegd voor krachtig knijpen/grijpen, het maken van repetitieve hand- en vingerbewegingen in combinatie met kracht, krachtige schroefbewegingen met hand- en arm, zwaar duwen/trekken, tillen/dragen, lopen tijdens het werk, staan tijdens het werk, knielen of hurken en geknield of gehurkt actief zijn. Uit de verschillende versies van het Resultaat functiebeoordeling die in bezwaar en beroep zijn opgesteld, blijkt dat in de geselecteerde functies geen sprake is van een bijzondere belasting ten aanzien van deze in de FML van 23 juli 2024 genoemde beperkingen. Dit in tegenstelling tot de in het rapport van 9 december 2021 vermelde belasting in het laatst verrichte werk van appellante als productiemedewerker.
5.4.
De rechtbank wordt daarom gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de beoordeling ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H.A. Baars