Appellant, werkzaam als kapitein op een binnenvaartschip in dienst van een Zwitserse onderneming, raakte op 31 maart 2020 arbeidsongeschikt. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend met ingang van 29 maart 2022 met een pro rata-factor van 0,51. In hoger beroep werd de ingangsdatum vervroegd naar 1 september 2020.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de uitkering, de toepassing van de pro rata-factor en de correcte vaststelling van de nabetaling en wettelijke rente. De Raad oordeelde dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet in Nederland verzekerd was, maar in Zwitserland, waardoor hij geen volledige nationale WIA-uitkering kan ontvangen. De pro rata-toepassing is gebaseerd op Verordening 883/2004 en is terecht toegepast.
De Raad vernietigde eerdere besluiten omdat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd hoe de nabetaling en wettelijke rente waren berekend. Het Uwv werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.