ECLI:NL:CRVB:2025:1755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WIA-zaak
In deze zaak heeft appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereiste dat het de gronden van het beroep moet bevatten, zoals bepaald in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gemachtigde van appellant is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende beroepsgronden binnen een gestelde termijn aan te vullen, eerst per brief van 16 juni 2025 en vervolgens per aangetekende brief van 17 juli 2025. Beide termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan zonder dat appellant de gronden heeft ingediend. Een verzoek om uitstel werd wel ontvangen, maar zonder geldige reden voor de vertraging, waarop niet is gereageerd.
Gezien het ontbreken van de beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijnen, heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.J.J.M. Weyers op 27 november 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.