ECLI:NL:CRVB:2025:1698

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25/208 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en medische geschiktheid

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 19 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam. De zaak betreft de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante, die zich op 2 januari 2018 ziekmeldde, betoogde dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad oordeelde echter dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat de medische en arbeidskundige grondslagen voldoende waren onderbouwd. De Raad volgde de conclusie van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat appellante in staat was om de geselecteerde functies te vervullen, uitgaande van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2021. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep aanvullende medische informatie ingediend, maar de Raad zag hierin geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, wat betekent dat de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2024, 22/6131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante per 14 juni 2021 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, waardoor zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ghaffari. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als hostess cateringmedewerkster voor gemiddeld 35,96 uur per week. Op 2 januari 2018 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten, waarna zij in aanmerking is gekomen voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het Uwv had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante niet beschikt over benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten als gevolg van ziekte of gebrek. Het Uwv heeft bij besluit van 24 december 2019 aan appellante per 31 december 2019 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
De ex-werkgever van appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien beperkingen aan te nemen en deze beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2020. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 12 oktober 2020 heeft het Uwv het bezwaar van de exwerkgever van appellante gegrond verklaard en geoordeeld dat de WIA-uitkering van appellante per datum einde loongerelateerde WGA-uitkering, 15 februari 2021, wordt beëindigd.
1.3.
Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het Uwv aan appellante een zwangerschaps- en bevallingsuitkering (WAZO) toegekend over de periode 28 oktober 2020 tot 17 februari 2021. Aansluitend op de WAZO-uitkering is de WIA-uitkering van appellante voortgezet en bij besluit van 10 juni 2021 is deze WIA-uitkering per 14 juni 2021 beëindigd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 december 2021 het beroep van appellante tegen het besluit van 10 juni 2021 gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 7 juli 2022 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Volgens het Uwv was appellante per 31 december 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt. Dit betekent volgens het Uwv dat het besluit van 24 december 2019 onjuist was en dat de WIAuitkering van appellante per 15 februari 2021 moet worden beëindigd. Bij uitspraak van 22 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Appellante heeft een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid per 14 juni 2021 bij het Uwv ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een FML van 19 juli 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 13,87%. Het Uwv heeft bij besluit van 23 augustus 2021 geweigerd appellante met ingang van 14 juni 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.4.
Bij besluit van 4 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht verwezen naar het rapport van DC VerzuimDiagnostiek van 14 april 2022. In een uitspraak van 2 maart 2023 heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat dit rapport zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich terecht op het standpunt gesteld dat het rapport van DC VerzuimDiagnostiek ook van toepassing is voor de datum hier in geding. Naar het oordeel van de rechtbank is dit rapport niet in strijd met de door appellante overgelegde informatie van haar eigen behandelaars. Uit het rapport blijkt dat deze informatie voldoende is meegewogen en dat in die informatie vooral geschreven is over symptomen en klachten, waarvan in het rapport is geconstateerd dat deze niet berusten op een onderliggend ziektebeeld. Volgens de rechtbank behoeft de informatie uit 2024 geen verdere bespreking, nu deze van ruim na de datum in geding dateert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante met de ingebrachte medische informatie ook geen twijfel gezaaid over de conclusies van de verzekeringsartsen ten aanzien van de lichamelijke klachten. Er is volgens de verzekeringsartsen sprake van aspecifieke lichamelijke klachten zonder een duidelijk onderliggend substraat. De rechtbank heeft appellante ook niet gevolgd in het standpunt dat sprake is van een medische objectieve noodzaak om een urenbeperking aan te nemen. De symptomen en klachten van appellante berusten niet op een objectief vast te stellen ziektebeeld. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante, uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2021.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van DC VerzuimDiagnostiek onvoldoende zorgvuldig is verricht. Dat appellante een positieve score heeft op de symptoomvalidatietesten, betekent volgens haar niet dat zij haar klachten aanzet of dat zij onder presteert. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de gegevens van DC VerzuimDiagnostiek haar belastbaarheid onjuist ingeschat. Ter nadere onderbouwing van haar medische klachten heeft appellante een brief van psychiater W. Vandendooren van 27 september 2025 overgelegd. Verder heeft appellante zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van haar lichamelijke klachten. Ook had het Uwv een verdergaande urenbeperking moeten aannemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 april 2025 een aanvullend rapport opgesteld.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellante heeft in hoger beroep een brief van psychiater Vandendooren van 27 september 2025 overgelegd. De Raad ziet in deze informatie geen aanleiding voor een ander oordeel over de juistheid van het bestreden besluit. Het Uwv heeft voldoende uiteengezet dat uit de overgelegde informatie geen gegevens voortkomen die een nieuw inzicht geven in de medische toestand van appellante op de datum in geding. Zo was appellante op de datum in geding al bekend met angstklachten en een onderliggende uitgesproken kwetsbaarheid, waarvoor beperkingen zijn aangenomen in de FML van 19 juli 2021.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah