ECLI:NL:CRVB:2025:1680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening mate arbeidsongeschiktheid WIA per 15 oktober 2020 wegens onderschatting medische beperkingen
Appellant was sinds 18 oktober 2018 ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 67,89% vastgesteld door het UWV per 15 oktober 2020. Appellant betwistte deze mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat hij meer medische beperkingen heeft, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank Limburg had het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten, waarbij zij de beoordeling van het UWV onderschreef. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat de beperkingen zoals vastgesteld door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Expertise Instituut volledig overgenomen moesten worden.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die na onderzoek concludeerde dat appellant ernstiger beperkt was dan het UWV aannam, met onder meer een angst-/paniekstoornis, depressieve stoornis en fysieke klachten, en nauwelijks belastbaar was voor werk. Het UWV handhaafde haar standpunt, maar de Raad vond de deskundige overtuigend en vernietigde het besluit van het UWV.
De Raad draagt het UWV op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen waarbij appellant verdergaand arbeidsongeschikt wordt geacht.