Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1625

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
25/340 WAJONG-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond verklaard tegen afwijzing verzoek herziening WAJONG-uitspraak

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 5 februari 2025, waarin zijn verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van 22 februari 2024 werd afgewezen. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die voldoen aan artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Tijdens de zitting op 18 september 2025, waar appellant online aanwezig was en de wederpartij niet verscheen, stelde appellant dat de rechter in hoger beroep onvoldoende kennis had van het strafrecht en dat de uitspraak was gebaseerd op een andere zaak. De Raad legde uit dat de verwijzing naar eerdere uitspraken een verwijzing naar jurisprudentie betreft, die als rechtsbron wordt gebruikt.

De Raad concludeerde dat de aangevoerde gronden van appellant feitelijk een herhaling van bezwaren tegen de eerdere uitspraak zijn, waarvoor de herzieningsprocedure niet bedoeld is. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 oktober 2025
25/340 WAJONG-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2024, 23/3262 WAJONG
Partijen:
[appellant] te Peru (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 5 februari 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak in hoger beroep afgewezen omdat appellant in zijn verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellant heeft verzet ingediend. Het verzet is behandeld op zitting van 18 september 2025. Appellant heeft online aan de zitting deelgenomen. Gedaagde is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

In verzet heeft appellant aangevoerd dat de rechter in hoger beroep niet is ingegaan op zijn standpunten.
Appellant stelt dat de overwegingen van de Raad in de uitspraak van 22 februari 2024 gebaseerd zijn op een andere zaak. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechter in hoger beroep niet genoeg kennis had over het strafrecht om over zijn zaak te oordelen en appellant stelt verder dat hij in zijn verzoek om herziening feiten en omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
De Raad overweegt dat de verwijzing naar de ‘andere uitspraak’ in de uitspraak van 22 februari 2024 een verwijzing is naar vaste rechtspraak. Dit wordt ook wel jurisprudentie genoemd. Jurisprudentie kunnen rechters gebruiken als rechtsbron om hun overwegingen en beslissingen daarop te baseren. In de uitspraak van 22 februari 2024 wordt door de Raad aangesloten bij de lijn die in eerdere uitspraken is ontwikkeld over soortgelijke zaken. Daarmee heeft de Raad in de uitspraak op het verzoek om herziening van 5 februari 2025 terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden aangevoerd door appellant in zijn verzoek om herziening, voldoen aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De gronden van appellant zijn in wezen argumenten waarom hij het niet eens is met de uitspraak op het hoger beroep. Daar is de herzieningsprocedure niet voor bedoeld.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) J. Bonnema