ECLI:NL:CRVB:2025:1546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
23/2735 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor tandheelkundige behandeling en verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. De aanvraag werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een voorliggende voorziening werd beschouwd en er geen zeer dringende redenen aanwezig waren. De Raad voor de Rechtspraak heeft op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan. De Raad oordeelde dat de verklaring van de tandarts niet voldoende bewijs bood voor een acute noodsituatie, en dat appellant geen recht had op bijzondere bijstand volgens de beleidsregels van de gemeente. Het hoger beroep werd afgewezen, en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Appellant kreeg geen schadevergoeding toegewezen, omdat er geen grond voor was. De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen alleen van toepassing zijn in extreme situaties, wat in dit geval niet aan de orde was.

Uitspraak

23/2735 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2023, 22/3225 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)
Datum uitspraak: 14 oktober 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om een afgewezen aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. In hoger beroep is eerst in geschil of sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De Raad is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Daarnaast had het college op grond van de toepasselijke beleidsregels, anders dan appellant heeft betoogd, geen bijzondere bijstand hoeven verlenen voor de kosten van de gevraagde tandheelkundige behandelingen. Appellant krijgt dus geen gelijk. Voor een schadevergoeding bestaat daarom geen grond.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Djordjevic.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 16 februari 2022 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de PW voor de kosten van een tandheelkundige behandeling aan gebitselement 24 op 9 februari 2022 tot een bedrag van € 100,21. In dit verband heeft appellant een verklaring overgelegd van tandarts [naam tandarts] (van [naam tandartspraktijk] tandartspraktijk) van 9 februari 2022 waar het volgende is vermeld:
“Bijgevoegd de begroting voor kroon op element 24 (linksboven). Element heeft een grote opbouw waardoor kans op breuk groot is. Advies dit element te kronen”.
1.2.
Met een besluit van 3 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 augustus 2022 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag voor de kosten van de tandheelkundige behandeling heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening moet worden aangemerkt. Daarnaast is er geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand van de gemeente Heerenveen (beleidsregels) op grond waarvan appellant alsnog voor bijzondere bijstand voor die kosten in aanmerking komt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De (wettelijke) regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten tandheelkundige behandeling
4.1.
Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat het college voor de kosten van de tandheelkundige behandeling ten onrechte geen bijzondere bijstand heeft verleend. In de eerste plaats omdat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17 van de beleidsregels. Mocht hem dat ook niet baten, dan doet appellant een beroep op artikel 33 en 47 van de beleidsregels. Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.1.1.
Tussen partijen is niet geschil dat de Zvw in dit geval een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de PW.
4.1.2.
Het college kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [1] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [2]
4.1.3.
Uit de verklaring van [naam tandarts] van 9 februari 2022 – zoals weergegeven in 1.1 – blijkt niet dat sprake is van een extreme situatie in vorenbedoelde zin. Van zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW is dan ook geen sprake.
4.1.4.
Het beroep op artikel 17 van de beleidsregels slaagt niet gelet op het volgende. In de toelichting bij artikel 17 van het beleid is het volgende vermeld.
“Het college maakt voor tandheelkundige kosten een uitzondering op de algemene regel benoemd in artikel 11. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende om te zorgen voor onderhoud van zijn gebit. Een slecht, niet onderhouden gebit kan echter een grote invloed hebben op de mogelijkheden voor participatie in de maatschappij van een belanghebbende. En kan daarmee in de weg staan van het te bereiken doel van zelfredzaamheid. Daarom geeft het college in deze beleidsregel toch expliciet een mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden bijzondere bijstand te verstrekken in geval van een acute noodsituatie, en in geval van een niet onderhouden gebit voor het eerste consult en niet uitstelbare behandelingen. Er moeten wel bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor het niet onderhouden van het gebit.”
Anders dan appellant aanvoert, staat in de verklaring van tandarts [naam tandarts] (van [naam tandartspraktijk] tandartspraktijk) van 9 februari 2022 – niet dat de behandelingen met betrekking tot gebitselementen 24 niet-uitstelbaar zijn en kan dit daar ook niet uit worden opgemaakt. Uit de verklaring kan dus niet worden opgemaakt dat voor element 24 sprake was van een acute noodsituatie als in de toelichting vermeld. Daarom hoefde het college geen toepassing te geven aan deze beleidsregel.
4.1.4.
Het beroep op artikel 33 van de beleidsregels slaagt niet. Die bepaling geeft geen algemene bevoegdheid om los van artikel 35 van de PW bijzondere bijstand te verlenen. In deze bepaling staat immers niets meer dan dat ook voor kosten die niet in de beleidsregels worden genoemd, bijzondere bijstand kan worden aangevraagd. Dat volgt al uit artikel 35 van de PW. Deze beleidsregel heeft dus geen zelfstandige betekenis.
4.1.5.
Ten slotte slaagt ook het beroep op artikel 47 van de beleidsregels niet. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd te kennen gegeven dat de zinsnede “zeer dringende redenen” uit die bepaling op eenzelfde wijze moeten worden uitgelegd als de zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de PW. Nu uit 4.1.3 volgt dat van zulke redenen in dit geval geen sprake is, kan appellant alleen al om die reden niet met succes een beroep doen op deze bepaling uit de beleidsregels. Deze beleidsregel houdt dus ook niets anders in dan al in de PW is bepaald en heeft dus ook geen zelfstandige betekenis.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de tandheelkundige behandeling in stand blijft. Voor een schadevergoeding bestaat dan ook geen grond, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) H.Z. Şipal

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels

Participatiewet
Artikel 16
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
(…)
Beleidsregels bijzondere bijstand van de gemeente Heerenveen (geldig tot 1 januari 2025)
Artikel 17 Tandheelkundige hulp
1. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de kosten van tandheelkundige behandeling.
2. Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van lid 1. Een bijzondere situatie is in ieder geval een acute noodsituaties waarbij behandeling niet uitgesteld kan worden en de belanghebbende geen middelen heeft om de behandeling te betalen.
(…)
Artikel 33 Niet in de beleidsregels genoemde kosten
Het college kan ook voor kosten die niet in deze beleidsregels genoemd worden, bijzondere bijstand verstrekken op grond van artikel 35 van de wet en deze beleidsregels.
Artikel 47 Hardheidsclausule
Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze beleidsregels naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
2.Zie de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.