Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich op 5 maart 2019 ziek. Na een wachttijd en onderzoek door een verzekeringsarts werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%, later aangepast naar minder dan 35% op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2023. Het UWV beëindigde daarom per 1 augustus 2023 de WIA-uitkering. Appellant betwistte dit en stelde dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, waardoor hij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende gewicht was toegekend aan zijn medische informatie en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen twijfel bestaat aan de medische beoordeling door de verzekeringsartsen en dat de beperkingen in de FML adequaat zijn vastgesteld. De aanvullende medische stukken en psychische klachten werden niet voldoende onderbouwd. Daarom blijft de beëindiging van de WIA-uitkering in stand en krijgt appellant geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.