ECLI:NL:CRVB:2025:1471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid terecht
Appellante werkte als verzorgende IG en meldde zich ziek met rugklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige kende het UWV haar een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Later wijzigde de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen, waarna het UWV de uitkering beëindigde wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat medische informatie volledig was betrokken en dat de arbeidskundige beoordeling juist was. Appellante voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat een onafhankelijk deskundige benoemd had moeten worden, maar dit werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn voor ernstige psychische stoornissen, dat de beperkingen adequaat zijn gemotiveerd en dat het rapport van een medisch arbeidsmogelijkhedenonderzoek voor een andere regeling niet relevant is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht is omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.