ECLI:NL:CRVB:2025:1465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ouderdomspensioen tijdens detentie conform AOW
Appellant was van 30 januari 2023 tot en met 26 november 2023 gedetineerd en ontving een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde het pensioen per 1 maart 2023 vanwege de detentie. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij de laatste twee maanden van zijn detentie had moeten kunnen deelnemen aan een penitentiair programma (PP) en daardoor recht had op hervatting van het pensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de Svb. Appellant stelde in hoger beroep dat de voorwaarde van inkomen voor deelname aan het PP een kip-ei-situatie creëert, omdat deelname vereist dat men pensioen ontvangt, terwijl het pensioen juist wordt beëindigd bij detentie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 8b, tweede lid, van de AOW dwingendrechtelijk voorschrijft dat het pensioen eindigt bij detentie en dat de Svb geen discretionaire ruimte heeft om hiervan af te wijken. Omdat appellant niet heeft deelgenomen aan een PP of vervroegd werd ontslagen, was het besluit van de Svb juist. Tevens kon appellant niet aannemelijk maken dat het niet kunnen deelnemen aan het PP aan de Svb te wijten was.
Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ouderdomspensioen blijft in stand.