Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1447

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
24/2824 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 2 onder m PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens pensioeninkomsten

Appellante ontvangt sinds mei 2018 bijstand op grond van de Participatiewet. In november 2022 is haar een ouderdomspensioen toegekend, waarvan zij inkomsten heeft ontvangen die niet eerder op de bijstand in mindering waren gebracht.

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft daarom de bijstand herzien en een bedrag van €4.003,45 teruggevorderd over de periode november 2022 tot en met januari 2024. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat volgens het giftenbeleid een deel van de pensioeninkomsten buiten beschouwing had moeten blijven. De Raad oordeelde dat pensioeninkomsten geen giften zijn zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onder Pro m van de Participatiewet en wees het beroep af.

De Centrale Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en laat de herziening en terugvordering in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens pensioeninkomsten.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2024, 24/7088 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 30 september 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een herziening en terugvordering van bijstand omdat appellante inkomsten heeft ontvangen uit een ouderdomspensioen. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat het college de inkomsten op grond van het giftenbeleid vrij had moeten laten. Net als de rechtbank geeft de Raad appellante geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft met een brief van 9 juli 2025 aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen voorshands ziet, dat hij daarover geen vragen heeft en hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 18 mei 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 5 september 2023 heeft appellante telefonisch meegedeeld dat zij een aanvraag heeft ingediend voor een ouderdomspensioen van de Sociale verzekeringsbank Banko di Seguro Sosial te Curaçao (pensioen). De Sociale verzekeringsbank heeft het pensioen met ingang van 1 november 2022 toegekend.
1.2.
Met een besluit van 29 februari 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 juli 2024 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 november 2022 tot en met 31 januari 2024 en over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.003,45 van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 1 november 2022 tot en met 31 januari 2024 inkomsten uit pensioen heeft ontvangen. Deze inkomsten waren nog niet in mindering gebracht op de bijstand.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De gronden in hoger beroep komen er op neer dat het college, in lijn met het giftenbeleid van het college, van de inkomsten uit pensioen een bedrag van € 1.200,- per jaar buiten beschouwing had moeten laten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de inkomsten uit pensioen geen giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW. Er is geen aanleiding om deze inkomsten gelijk te stellen met giften. [1]

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
4.3.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1126.